Als een kaartenhuis

Als een kaartenhuis

Als een kaartenhuis

Tijdens het openingsspel werd hij een eerste keer aan de kant gezet. Hij deed ogenschijnlijk iets verkeerd. Met een blik van onbegrip droop hij af. De eerste keer was het trouwens niet. Dat wist hij. Even daarvoor, in de vroege ochtend, was hij eigenlijk al drie, vier maal op zijn plek gezet. De ander was er klaar mee, zo werd hem verteld. Een potlood werd uit zijn hand gegrist. En die grote hand zette zijn hoofd in beweging naar daar waar gekeken diende te worden. Het haalde hem zichtbaar uit de relatie met de ander. Sterker, zelfs met zichzelf. Onderuitgezakt gaf hij op. Geen zin de zin van zijn welbevinden te delen.

En ook nu weet hij zich geen houding te geven. Klimt wat in het wandrek om de volgende reprimande in ontvangst te nemen en opnieuw plaats te nemen op de bank. Beweging is wat hij nodig heeft, zeker als hij zichzelf onrustig voelt. Zover is duidelijk. Onmacht tekent zich af op zijn gezicht.

Een grote arm verwelkomt hem na een aantal minuten in de groep. Iedereen beweegt zich naar het volgende onderdeel. Spel wordt les. Regels worden duidelijk medegedeeld. Zo duidelijk dat je eigenlijk wel mag aannemen dat hij het heeft gehoord. Eigenlijk. Want als hij als eerste een aanloop neemt en de trampoline hem lanceert, zie ik hem het touw vastpakken. In zijn fantasie slaan twee van zijn eigen handen direct op zijn hoofd. Duikt hij weg. Want de reactie die volgt is volgens het script. Hij voelt ‘m aankomen.

“We hadden afgesproken dat je het touw niet zou vastpakken, ga maar naar de kant!”

En nogmaals. Binnen tien minuten zie ik weer dat gevoel van onvermogen op zijn gelaat verschijnen. Zo’n eenzijdige verwondering van afwijzing. Een lege blik. En als dan ook nog eens die jongen die na hem naar de kant werd gestuurd zich eerder bij de groep voegt, is zijn ontgoocheling compleet. In de hoek van de zaal gaat hij met zijn rug naar de rest toe zitten. Een roerloos statement. Stil verzet. Het lijf straalt onrechtvaardigheid uit. Niet te missen. En toch. Deze actie roept geen reactie op, dus het klimrek wordt weer uit de kast gehaald. De ‘ga op de bank zitten’ en ‘als je gaat zitten mokken kan ik je niet terugroepen’ helpen mee tot het in stand houden van deze impasse.

Teruggekeerd bij de groep lijken momenten vandaag toch echt als kaarten in een kaartenhuis. In slow-motion vallen ze één voor één om. Murphy schreef er ooit een wet over. Dat. Want weer gaat hij de fout in. Althans, zo wordt beoordeeld. Veroordeeld. Moedeloos en met zijn schouders omlaag loopt hij richting mij. Ik knipoog. Vlak naast mij ploft hij machteloos neer. Nabij sla ik een arm om hem heen, stel een paar vragen en lukt het me om alles dat nu zo groot is plat te slaan. Terug te gaan naar waar het allemaal ooit begon: het touw pakken. Met zijn laatste beetje energie ontvouwt hij zijn verhaal.

‘…maar ik pakte het touw helemaal niet,’ eindigt hij zijn gedetailleerde situatieschets. Niets van wat hij vertelde trok ik in twijfel. Ik zie een twinkeling terugkomen in zijn ogen. Gevolgd door een aandringende traan. De vraag wat maakt dat hij dit niet gedeeld heeft wordt pijnlijk weerlegd: “dat heeft toch geen zin!?” Het raakt me. Om hem. En omdat het altijd zin heeft! Zeker omdat als een kind de onvoorwaardelijke bron van puurheid al zo jong kwijtraakt, heeft dat altijd zijn weerklank op de omgeving!

We vervolgen ons gesprek over wat hij nodig heeft. Nodig om sterk genoeg te zijn om dit te kunnen en blijven delen. Veiligheid. Woorden. Begrip. Ik begrijp zijn onmacht, wrijf over zijn rug en geef hem taal. Hij breekt en tranen rollen over zijn wangen. Door al zijn emoties voel ik dat afwijzingen hem onzeker hebben gemaakt. Onzeker om de voor hem juiste woorden te koppelen aan wat hij werkelijk voelt. Bang dat het niet wordt ontvangen.

Dat het niet wordt ontvangen wordt bewaarheid. Een feit. Want dezelfde hand die eerder zijn hoofd liet draaien vindt nu een plek op de grens van zijn schouderblad en oksel. In het meetrekken laat hij zich op de grond vallen. Niet zomaar. Woorden die hij wellicht beter het andere oor uit had kunnen laten gaan zuigt hij op. “Niet zo treuren, er is niets aan de hand.” Het drama compleet. Voor hem. Nu.

En daar waar geduld, ruimte en vertrouwen op dit moment belangrijke ingrediënten zijn om nabijheid te voelen en bemoediging hem sterkt, doet elk woord nu afbreuk aan herstel. Ik zie hem met zijn hoofd tussen zijn benen geklemd huilen. Intens verdriet. Ik laat hem. Voor even. Om hem vervolgens een keus te geven. Een keus als ladder om uit zijn dal te kunnen klimmen. De keus laat ik bij hem: of hij even naast mij komt zitten óf dat hij mee gaat doen. Als een lichtschakelaar in zijn kaartenhuis.

Natuurlijk kiest hij voor het laatste. En daarmee bewijst hij hoe veerkrachtigheid kinderen zijn. Hoe sterk hij zelf eigenlijk is. Hoe sterk hij is om zelf uit de cocon te kruipen. Hoe sterk zijn wil om te willen leren is. Leren leven! Willen leren begrijpen hoe hij zichzelf staande houdt. Staande om te kunnen bouwen. Het opbouwen van zijn kaartenhuis vol momenten. Vandaag wel tien keer vernieuwbouwd. Oefenen tot hij zijn eigen toekomst weet te construeren.

About the Author

Leave a Reply