Blog : gedachten

Lucas, Willem en Lizzie leren me het speelveld te verruimen

‘Je bent nutteloos. Ga maar tussen de jassen hangen, op de gang!’ De 11-jarige Franse jongen tegen wie dit gezegd werd, nam de woorden iets te letterlijk zie de gevolgen. Wat drijft een leerkracht om dit tegen een leerling te zeggen? In hoeveel tijd verbreek je de verbinding met het kind? Waar ligt de pedagogische en de morele verantwoordelijkheid van een leerkracht? Hoe hoog mag frustratie en onmacht oplopen? Wanneer heb je jezelf nog onder controle?

Er is een kind overleden en het debat gaat over ‘verplichte bewaking’? Wat maakt dat veel beslissingen op beheersmatig niveau gemaakt worden? We weten het niet meer, het gaat mis, goed mis. Dus gaan we verder met inkaderen. Is dat het (vaste) recept? Zorgen deze regels niet juist voor het af- en doorschuiven van verantwoordelijkheden? En hoe verhoudt zich dit tot het begrip vertrouwen, om maar te zwijgen van ieders innerlijk kompas?

Als leerkracht heb ik een pedagogische taak, maar niet altijd het antwoord op (morele) situaties! Ik heb de verantwoordelijkheid om mijn eigen handelen, zowel emotioneel als rationeel, te begrijpen en te reflecteren. Mijn handelen vindt plaats op een dunne lijn van verwachtingen, van mezelf en van mijn omgeving, de ander. En ik heb te maken met mijn eigen biografie, mijn eigen perceptie en met verwachtingen die – door de maatschappij, door de cultuur – impliciet en expliciet zijn opgelegd.

Het sturen van je eigen handelen en je emoties is met elkaar verbonden. Maar in hoeverre bepaal of maak jij bewust de keus, doe je wat je doet?

Ik herinner me Lucas. Als de dag van gisteren. Hij zat in mijn klas, het tweede jaar dat ik als leraar in het voortgezet speciaal onderwijs werkte. Ik leerde elke dag, maar Lucas niet. Hij had een Italiaanse achternaam en door zijn gedemotiveerde houding had ik mijn vooroordeel snel klaar. Waarom speelde zijn achtergrond voor mij een rol? Zocht ik een verklaarbare reden voor zijn gedrag. Met die zekerheid kon ik als beginnende leerkracht verder. Ik wilde namelijk één ding, niet falen!

Lucas. Als ik nu aan hem terugdenk, verschijnt er een brede glimlach op mijn gezicht. Eigenlijk is het zijn glimlach. Want ik irriteerde me mateloos aan zijn lachje. Waarom? Omdat hij mij door had en een beetje met mij speelde. Hij haalde het bloed onder mijn nagels vandaan. Ik stuurde hem altijd naar de Time-Out, dat was lekker makkelijk, dan had ik even rust. De dienstdoende functionaris stuurde hem vervolgens vaak snel weer terug. ‘Wat een koekert’, dacht ik dan. Lucas had blijkbaar de volgende ‘om zijn vinger gewonden’.

Dit verhaal gaat over die dag waarop ik Lucas voor de derde keer naar de Time-Out had gestuurd. De reden is niet blijven hangen, maar het gevolg wel. Hij moest naar de adjunct! Samen liepen we door de gang. Ik voorop. Achter me liep hij te zuigen, te lachen en ik kookte…

We moesten een klapdeur door. Altijd liet ik de ander voor. Deze keer besloot ik anders. In plaats van de deur open te houden, gaf ik juist een extra zetje. Lucas voelde blijkbaar iets aankomen, hij wist de deur te pareren. En net voordat we het kantoor van de adjunct binnenliepen, fluisterde hij zacht: “U bent echt boos, hè?”

Het was een keuze vanuit een aanname en een emotie die ik aan de ander toeschreef, die buiten mijzelf lag. Van verantwoordelijkheid en moreel besef was geen sprake meer. Het was deze jongen van amper 13, die me buiten mijn boekje liet gaan en me de grens liet ervaren. Met zijn opmerking ‘U bent echt boos, hè’ leidde hij me terug naar mezelf.

Had ik de situatie onder controle? Ik stuurde hem weg, interesseerde me niet waarom hij gedemotiveerd was, bouwde niet aan een relatie en bovenal, de ratio was uitgeschakeld en de emotie voerde de boventoon! Een belangrijk leermoment!

Deze ervaring heeft me gevormd, als professional, maar zeker ook als mens. Door de situatie te evalueren, kwam ik erachter dat ook waarden en normen onderdeel zijn van mijn handelen en ik die soms ter discussie mag stellen. Op zijn minst draag ik er verantwoordelijkheid voor.

‘Je bent nutteloos’, dat is een harde uitspraak, zo niet vernietigend. Het perspectief is verdwenen, het oordeel is geveld. En het probleem ligt bij de leerling. Van verwachting is geen sprake. Kansen tot herstel worden niet meer geboden. De verantwoordelijkheid – om het handelen te evalueren, als mens te (leren) vertrouwen op het innerlijk kompas en te bouwen op de relatie met de leerling – wordt niet langer gevoeld!

Wat nou geen mogelijkheden? Er is altijd een alternatief!

Te vaak schuiven we in het onderwijs ‘schuld’ af en missen we een relatie; met het kind, de context en met onszelf, als mens. De leerling én de leerkracht zijn onderdeel van een systeem, van hun omgeving.

Ik denk aan Willem, een oud-leerling die ruim een jaar geleden resoluut een ander pad verkoos. Ik had een zwak voor hem. Hij was anders. Een punker. En op zoek. ‘Wie ben ik, wat is mijn omgeving?’ Hij had al een groot aantal scholen versleten, woonde ook niet meer thuis…

Niemand kon hem raken. Ook ik niet. Ik behoorde tot het systeem. En erger nog, ik deed er aan mee. Er was voor Willem genoeg om tegenaan te schoppen. Bevestigde dat zijn houding? Zijn houdbaarheid? Als ik mijn verslagen terug lees over Willem, lees ik een weinig analytisch en feitelijke weergave van situaties zoals ik ze ervoer. De onmacht van ouders en school waren ook in mijn eigen observaties terug te vinden. Ik volgde braaf: Willem had of was het probleem!

Willem zwom ‘tegen de stroom in’. En op een zeker moment had hij er genoeg van. Hij kwam die dag ‘gewoon’ niet meer! Zoals hij zelf al voorspelde. Ik schrok, miste hem, de kleur die hij gaf aan de groep. Aan mij. De twijfel sloeg toe. Had ik er wel alles gedaan? Het mocht allemaal niet baten. Willem vertrok, liep ook weg van de groep waar hij woonde. Hij settelde zich in de skate community van Tilburg. Hij werd een coach, of beter gezegd een motivator voor jonge kinderen die hij leerde skaten. Hij wist ze te raken! Hij klapte bij iedere truc van zijn pupillen de handen stuk. Altijd positief! Zijn grote talent!

In zijn laatste brief schreef hij de woorden: “…ik ben toch maar iedereen tot last…” Hij voelde zich nutteloos. Was alles behalve! Velen zijn over zijn grens gegaan, weinige geïnteresseerd wat er binnen zijn grenzen afspeelde.

Verantwoordelijkheid nemen is soms ‘tegen de stroom in zwemmen’. Willem liet me het zien, of heeft het misschien wel bij me aangewakkerd. Hij nam mij mee in zijn wereld. Het betekende mijn grenzen verleggen, ofwel tijdelijk verschuiven. Hij leerde me het speelveld te verruimen. Ons contact bood nieuwe inzichten, over Willem, maar vooral ook over mezelf en over mijn relatie tot de ander!

Betekent het dat ik leerlingen hun gang laat gaan? Alleen maar moet volgen? Of word ik uitgenodigd juist streng en rechtvaardig op te treden! Natuurlijk niet. Geen van beide én allebei. Het is mijn leerproces om deze zaken met elkaar te verbinden. In relatie zijn en tegelijk autonomie leren ontwikkelen. Het een kan niet zonder het ander.

Het beroep als leerkracht is fragiel en kwetsbaar. Mijn handelen ligt onder een vergrootglas. Ik doe constant een beroep op wat mij drijft, mijn innerlijk en morele kompas. Mijn grootste uitdaging is om leermeester van mezelf te zijn, jezelf te mogen zijn en dat uitdragen naar de leerlingen voor me. Op hun beurt zijn zij leermeesters van zichzelf en voor mij.

De angst om te falen overheerst soms, die me van mezelf (en mijn omgeving) ontkoppelt. Een leerling naar de gang sturen, naar een andere klas of naar de Time-out. En zo vaak keert dezelfde leerling terug zonder terugkoppeling, zonder gesprek, zonder een schouderklop, een aai over de bol. Waar is die vraag: ‘Hoe kan ik je verder helpen, zodat je het straks zelf kan oplossen?’

Toen Lizzie in de middenbouw van de basisschool haar diagnose kreeg, maakte ze een spandoek. ‘Ik heb autisme!’ verfde ze er met dikke letters op. Ze zette een vuilcontainer aan de straatkant, ging er bovenop staan en riep: “Ik ben gehandicapt!” Er was geoordeeld, ze moest weg van de reguliere school, ontkoppeling tot gevolg.

Uitsluiten – of ontkoppelen – doet iets met me. Als mens. Met mijn zelfbeeld. Met het beeld dat ik meeneem en meedraag naar de toekomst. Het is een dunne lijn die ik niet meer wil overschrijden.

Het blijft gissen naar wat er in het hoofd van de 11-jarige jongen in Frankrijk om ging. Wat overblijft is het verdriet en beschadigde mensen met vragen; het gezin, vrienden, familie, de leerkracht, klasgenoten, de school, de wijk, de samenleving…

Ooit, in een open gesprek met Lizzie – toen ze weer wat rustiger was – gaf zij aan dat haar hoofd aanvoelde als een ballon. Zo voelde de druk in haar hoofd! Op dat moment, maar ook al die andere keren wanneer zij zich verdrietig, gefrustreerd, boos en afgewezen voelde. Het enige dat ik vroeg: “Wat kan ik doen om jou dan te helpen?”

“Een beetje lucht uit het tuutje laten,” antwoordde zij. Luisteren was op dat moment voldoende. En op weg waren we. Samen. Soms prikken, soms piepen, soms snel lucht eruit, soms buiten en loslaten en soms ‘gewoon’ even niets…

Het is mijn verantwoordelijkheid als leerkracht – en mijn morele plicht – om de leerlingen die ik voor me heb te laten zijn wie ze zijn, met alles wat er is; om het beste in zichzelf naar boven te halen; om ze te leren hoe verantwoordelijkheid daarin positief bijdraagt.

Maar het is het allerbelangrijkste dat ik zie dat ikzelf een onmisbare schakel voor ze ben. Mijn reflectie op mijn handelen te delen, met hen in gesprek te blijven; de keuzes die ik maak te beargumenteren; inzicht te geven in mij als persoon en vooral te kunnen vertellen en te laten zien waarom ik de dingen doe die ik doe.

Autoriteit in samenkracht!

Vorig jaar tijdens mijn functioneringsgesprek liet mijn toenmalige locatiemanager het woord ‘autoriteitsprobleem’ vallen. Met een glimlach linkte ze dat begrip aan mij. Het verwonderde mij; daar waar ik nergens een ‘probleem’ van wil maken maar juist op zoek wil (en ook ga) naar oplossingen. Na wat vragen kwam het er op neer dat ik de ‘ongeschreven regels’ niet volgens de juiste weg bewandelde. Ja, als ze nergens beschreven staan of uitgelegd worden lijkt mij dit vrij lastig… En ook dat ik me niet zou houden aan het voorgeschreven protocol. Dat laatste klopt en daar ben ik trots op. Waarom? Omdat ik geloof in elkaar, het samen maken van een protocol, uitvoeren, evalueren en bijstellen! Ik denk dat daar de kracht ligt van het (speciaal) onderwijs, onderwijs maak je samen, onderwijs is leren van en met elkaar, samenkracht dus!

‘Autoriteit is de toestand dat mensen naar je luisteren door je positie en je kwaliteiten.’ Iedereen heeft een rol binnen een organisatie en het bevreemdt mij dat het woord ‘positie’ met enige regelmaat verward wordt met de hiërarchische ladder. Alsof je als leerkracht lager op de ladder staat dan een locatiemanager en daardoor minder ‘autoriteit’ of iets te vertellen hebt!? Misschien dat dit in salaris op deze wijze uit te drukken is, echter ben ik daar absoluut niet gevoelig voor. Zit daar mijn probleem dan?

Positie betekent voor mij de taak en rol die je invult binnen een organisatie en daarmee de verantwoordelijkheid die je hebt en dient te pakken. Ik ben leerkracht en ook daar ben ik trots op! Zodra iemand een beleidsstuk presenteert dat moet worden uitgevoerd en waar ik niet (geheel) achter sta, zal ik duidelijk mijn visie hierop geven. Ik neem mijn verantwoordelijkheid om binnen het onderwijsproces te kijken naar wat werkt en natuurlijk het protocol er in meeneem. Vergeet echter niet dat iedere leerling en daarmee iedere groep en dynamiek per jaar kan verschillen, zelfs per periode of vak. En dit nog even los van de ‘mens’ die je als leerkracht bent.

The distance from where the heart lies, between the words and 
sometimes, it’s a meaning to interpret and relate.
The Distance, Funeral For A Friend

Dat maakt dat ik samen met mijn groep kijk naar wat voor hen werkt waardoor ik het onderwijsproces efficiënter kan laten verlopen en nog beter in kan zetten op de ontwikkeling van het individu. Dat ik daarin zoek naar wat de meest kwalitatieve weg naar efficiëntie is, moge duidelijk zijn. Door een protocol te volgen en een soort van standaard te willen doe je m.i. tekort aan de kwaliteit van de leerkracht én leerling! En nu het woord ‘kwaliteit’ gevallen is, een autoriteit kan (en moet) hier dus een belangrijke rol spelen. Een autoriteit weet te inspireren, te motiveren, op een relatie gebaseerde luisterende houding te laten zien over de kennis (van de doelgroep) te beschikken, mede te onderzoeken en te doen wat werkt! Ben ik afhankelijk van een autoriteit? Nee! Ik neem de verantwoordelijkheid om de omgeving aan te passen, onderbouw en breng verder. Kun je als leerkracht dan ook niet een autoriteit zijn? Een pionier, een onderwijziger?

Iedereen die werkt binnen een organisatie kan het dilemma voelen van wie je bent, je waarden, je ontwikkeling en hoe je jouw kwaliteiten en creativiteit tot uiting wil laten komen versus het beleid en ‘het systeem’ waarin gewerkt wordt. Je bent als leerkracht dus onderdeel van het systeem! Dit dilemma kan gevoed (en in stand) worden door opgelegde regels en protocollen. Ik weet dat velen zich in stilte er niet aan houden omdat men weet dat het niet werkt! In beide gevallen, het opleggen en ook het niet uitvoeren ervan maakt dat een school wel of niet draait, veilig is, ‘zin in leren’ uitstraalt. Zit er dan een bepaalde angst achter? “Maar hoe moet dat dan volgend jaar? Doorlopende lijn?” zijn veel gestelde vragen vanuit het management en leerkrachten, maar ook “Ik blijf gewoon op mijn eiland” wordt benoemd, als leerkrachten dit al ‘en public’ durven benoemen. En hier is mijn (autoriteits)probleem: men neemt niet de taak en rol die bij hun professie hoort op zich en daardoor worden verbindingen niet gemaakt! Dat betekent elkaar kritisch bevragen en de wil om samen te bouwen met als doel de ontwikkeling van de leerling en diens proces! Voor de leerkracht om te laten zien wat werkt en de manager om te luisteren en om beleid af te stemmen op wat de professional op de werkvloer hem/haar aanreikt. Gaat het dus niet eigenlijk over een samenwerkingsprobleem?

Aanleiding voor de opmerking van mijn toenmalige locatiemanager was het door mij toestaan van mobiele telefoons in de klas. Dit zou niet volgens de regels zijn. Klopt! De regel luidt: ‘mobieltjes bij binnenkomst de kluis in.’ Aan het einde van de dag zouden zij hun mobieltje weer terugkrijgen. Nog even los van dat deze regel absoluut niet van deze tijd is, vroeg ik mij af wat precies de reden van deze regel is? Is het innemen van eigendommen bevorderlijk voor het gevoel van vertrouwen? Worden regels als deze gesteld om te beheersen? Of om controle te houden over ontwikkelingen die (te) snel gaan? Bij navraag was het inderdaad de angst dat er foto’s en filmpjes gemaakt zouden worden en deze op internet verspreid zouden kunnen worden. Dit was echter nog nooit gebeurd, alleen voorbeelden uit de media werden aangehaald… Ligt de uitdaging dan niet bij het mediawijs/-vaardig maken van de leerlingen? Hoort dit (alleen) bij school? Vorig schooljaar ben ik er in ieder geval al mee gestart.

Een tweede argument was dat leerlingen te snel afgeleid zouden worden. Gebaseerd op (praktijk)onderzoek was dit argument helaas niet. Als dat al zo zou zijn, wat zegt dit dan over de instructie/les en eventueel het leerproces/-motivatie van de leerling? Dien je als leerkracht niet de leerling te inspireren en motiveren? En wat is het probleem als jouw inspirerende les door leerlingen wordt opgenomen, Flip? En ligt er niet ook de uitdaging om samen met de leerlingen afspraken te maken over ‘wat’ en ‘wanneer’ er wel (!) gebruik gemaakt mag worden van ‘your own device’? Iets (BYOD) dat in het bedrijfsleven al een grote vlucht genomen heeft en waar we de leerlingen toch ook voor willen klaarstomen? En natuurlijk moet je hen leren om te gaan met nieuwe werkvormen (van het plannen op je telefoon tot het gebruik maken en zoeken van bronnen)! Een ‘mobieltje’ is tegenwoordig niet alleen een telefoon, maar een persoonlijk en functioneel ‘device’ waarop van alles mogelijk is.

In mijn context zijn de telefoons zelfs een stuk sneller dan de drie karige leerlingcomputers in mijn lokaal! Door de leerlingen meer eigen regie en verantwoordelijkheid te geven, ontstond er vertrouwen en de ruimte om te exploreren. Zij kwamen tot de conclusie dat niet iedereen internet op zijn device had. Een router werd meegenomen en aangesloten. En niet snel daarna volgde de eerste tablets. Zonder enige sturing, maar door te volgen werd de klas naast een ‘rijkere’ leeromgeving ook een testlab! Voor mijn klas waren er geen problemen, de afspraken waren helder en men sprak elkaar onderling aan wanneer men zich niet aan de afspraken hield. Ook inspireerde en leerden de leerlingen van elkaar en werden ICT-vaardigheden ontwikkeld! Buiten wat scheve gezichten en vragen vanuit collega’s is uiteindelijk besloten de regel aan te passen. Een ‘testperiode’ tot de zomervakantie zal dienen om uit te wijzen hoe er ‘beleid’ op moet worden losgelaten…

Wat ik in het geheel gemist heb is een ‘autoriteit’ op het gebied van nieuwe media! Hierdoor hadden we als team een gedegen en gezamenlijke visie kunnen creëren en het inhoudelijk vorm kunnen geven! Hierdoor is het voor iedereen duidelijk wat er allemaal kan, kun je samen op zoek gaan naar oplossingen voor de ‘beren op de weg’ en worden er naar de toekomst toe constructieve stappen gezet om het onderwijs voor onze leerlingen te verrijken. Op deze wijze zal de verbinding met het regulier onderwijs sterker en beter vorm gegeven worden!

Want daar zit mijn probleem! De discrepantie tussen de situatie nu en de wens om het beste onderwijs en een soepele doorstroom op maat voor deze groep leerlingen vorm te geven. Dat betekent luisteren en doen met het geloof IN elkaar!

Jaspers had lef!

Wat wij in kleine verhoudingen doen, heeft ergens, hoe dan ook, zijn repercussie op het veld van de gehele samenleving, op de wijze waarop wij in het groot met elkaar proberen een leefbaar bestaan te bereiken.” – Karl Jaspers

…aan de keukentafel

Daar zat ik dan, afgelopen vrijdag aan de keukentafel bij Edith. Een regenachtige namiddag maar genoeg energie en inspiratie. Ook Karin en Rhea waren van de ‘partij’. Het begon allemaal een week eerder met het oplossen van een ‘mysterie’. Karin wist dit natuurlijk allang en er ontstond een gesprek over ‘ruimte maken’, idealen en dromen. Edith en Rhea haakte in en voor dat we het wisten waren we tot de kern, een gezamenlijk thema! “Ruimte maken in hoofd en hart terwijl je wel alles goed blijft doen blijft een stikmooie uitdaging” (van Montfort, 2013). Binnen no time stond er een afspraak en zo geschiedde.

De centrale vraag van de middag was: “Waar ga je maandag 27 mei mee stoppen?” Een vraag waar ik een goede week over na heb gedacht. Er is zoveel waarmee ik zou willen stoppen (ofwel zoveel waar ik aan zou willen beginnen)! ‘Op (onderzoek)!’ ligt in het verlengde van waar ik mee stop. Mijn ideaal om het onderwijs mooier te maken voor de hele school laat ik even links liggen. Ik ga nu het advies dat Peter te Riele ooit gaf eens ter harte nemen. Ik heb jaren naast mijn reguliere taken geprobeerd om opbouwend kritisch te zijn ten opzichte van het beleid binnen de school/organisatie. Zo heb ik al jaren de vraag om inzage in het financieel verslag. Waarom? Lees ‘I take the road less travelled… #1’, daarom! En naast wat daar staat beschreven zijn er nog genoeg redenen te geven (alle redenen hebben overigens te maken met of hebben invloed op de leerlingen overigens). Conclusie: het heeft geen zin! Via de reguliere weg lijken bepaalde lagen onbereikbaar. En dit is wat ik vanaf morgen niet meer ga doen, me druk maken om beleid en financiën. Geeft tijd en ruimte om te kleuren!

Dat gaat een hoop fRUSTratie schel(GEV)EN…

Op (onder)zoek!

Het startte allemaal na de zomer van 2006, mijn diploma van de PABO was eindelijk binnen. Ik had wat meer tijd genomen om mijn studie af te ronden. Waarom? Omdat ik altijd het gevoel had dat de schoen ergens wrong. Om na te denken over de ontwikkeling van mezelf, over onderwijs, over opvoeding en specifiek die van mensenkinderen die als ‘anders’ te boek staan. Een intrigerende mix waar vele meningen en visies elkaar ontmoeten. Ik miste de verbinding tussen visies, een bovenliggend paradigma, de samenwerking tussen scholen en (naar wat ik later een woord kon geven, dankzij een inspirerende ‘master’) het principe ‘apprenticeship’!

Voor de lerarenopleiding heb ik een jaar gewerkt bij zeer moeilijk lerende kinderen en daar is mijn ‘liefde’ voor leerlingen die anders leren gegroeid. Bij hen, en bij welk kind niet trouwens, is het aangaan van de relatie van groot belang! Op de lerarenopleiding werd er naar mijn mening veel te weinig aandacht besteed aan leerlingen die (zeer) moeilijk leren. Met een aantal docenten en medestudenten kon ik daar overigens wel over ‘sparren’, over speciaal onderwijs, andere onderwijsvormen, wat dit nu precies inhoudt voor elke individuele leerling, de omgeving en wat daar voor nodig zou zijn om leerlingen verder te brengen in de samenleving. Andere perspectieven hebben mij altijd getrokken, omdat in mijn beleving gestandaardiseerd onderwijs niet bestaat. Iedere dag, iedere leerling en iedere leerkracht is anders. Het is constant balanceren tussen ‘dat wat moet’ en ‘dat wat de leerling echt nodig heeft’.

Mijn diploma binnen en dus solliciteren. Vele brieven de deur uit in Brabant en beet, een VSO school in ’s-Hertogenbosch. Het gesprek was goed, ik had er een goed gevoel bij, het was de doelgroep waarvoor ik me graag voor wilde inzetten. In januari 2007 startte ik met een eigen groep. In een half lokaal zat ik met vijf leerlingen en een diversiteit aan ‘zijn’ en specifieke noden. Niets was op orde en ik moest van ‘scratch’ af aan bouwen om de klas te vullen met materialen en uitdagende activiteiten. Al snel had ik door dat de erfenis van het vroegere speciaal onderwijs (dagbesteding en ‘de bank en het dartbord in de klas’) plaats diende te maken voor resultaten en opbrengsten. Een slag die overigens, door verschillende variabelen, nog steeds niet gedegen uit de verf komt. Met een aantal collega’s hebben we de eerste vertaalslag gemaakt om de organisatie in de school voor de leerlingen te verbeteren. Wat voor mij de eerste anderhalf jaar duidelijk werd, mede dankzij de vele gesprekken met leerlingen en collega’s, was dat het samenvoegen van leerlingen ‘die graag willen leren maar niet weten hoe’ en de ‘ik ga niet leren, waarom zou ik, waar heb ik het überhaupt voor nodig’-leerlingen geen perfecte ‘match’ was. We hebben twee stromingen gerealiseerd, aan veiligheid en vertrouwen gewerkt en daarna ons toegelegd op de volgende missie: reguliere examens! De school werkte met IVIO, echter was er in de omgeving van ’s-Hertogenbosch op een enkeling na geen examen-/toelatingscommissie van het MBO die ervan gehoord had. En daarbij, ook deze leerlingen hebben ‘gewoon’ recht op staatsexamens! Nadat dit stond en mijn derdejaars leerlingen in de startblokken stonden om aan hun eerste examens te beginnen heb ik samen met een collega voorgesteld om vakoverstijgend te gaan werken, je als leerkracht vakbekwaam te maken en a.d.h.v. doelen methodes aan te passen op de cognitieve stijl van deze groep leerlingen. Die stap was blijkbaar een brug te ver en zorgde voor een zeer verassende wending. Na dit voorstel kwam de focus op persoonsbehoud te liggen. Mijn visie op onderwijs leek zich te verplaatsen naar mensvisie. Al jaren (en nog steeds) werkte ik met een piercing door mijn lip. Ineens moest die uit of ik “moest maar een school zoeken waar dit wel mocht..”!? Hoe motivatie en passie om het best mogelijk onderwijs te realiseren ineens heel persoonlijk kan worden, bijzonder. Als gevoelsmens was ik niet opgewassen tegen het ‘regeltjesgeweld’ en de wijze van benadering. Na ruim drie jaar bleek mijn huid niet dik genoeg en ben ik op zoek gegaan naar een school waar de menselijke maat wel hoog in het vaandel stond.

Een kleine SO-school in Breda moest de uitkomst worden. In het gesprek leek het gras groener, want (zo werd gezegd) alleen op het gebied van sociaal-emotionele ontwikkeling zou nog een slag gemaakt moeten worden. Nou, perfect, dat was juist waar ik in ’s-Hertogenbosch op had ingezet. Niets bleek minder waar en na een maand besefte ik (en werd gelukkig ook bevestigd) dat ze ‘gewoon’ iemand nodig hadden en dat het verhaal tijdens het gesprek vele malen mooier was gemaakt dan de werkelijkheid liet aftekenen. Liegen kun je dat ook wel noemen… Er moesten wel meerdere slagen gemaakt worden… Ok, ‘daar gaan we weer’, schouders eronder en in combinatie met een studie ‘Autismespecialisme’ voor de boeg zouden er veel veranderingen voor de leerlingen op komst zijn…dacht ik…hoopte ik… Een deceptie bleek achteraf. Van ‘boven’ werden lijnen uitgezet en naar de vloer werd minimaal geluisterd. Ook het team waar men zich zeer onveilig voelde en waar zelfs een psycholoog aan te pas diende te komen, kon niet voorkomen dat velen de school weer verlieten. ‘Proberen te bouwen op beton dat niet hard wordt’ heb ik het beleid op deze school altijd genoemd. Zelfs een ‘motie van wantrouwen’ werd achteraf door de overige initiators niet ondertekend. Met “…maar we hadden een biertje op…” werd het afgedaan. Van transparantie was vanaf het sollicitatiegesprek weinig te merken. De druppel was toen mijn toenmalige integraal directeur mij op het matje riep en na een situatie (eenzijdig conflict) en zonder alle partijen te horen mij als ‘betweter’, ‘negatieveling’ en ‘roddelaar’ wegzette. De grens was bereikt. Mij werd langzaam duidelijk hoe ‘het spel’ gespeeld werd en dat deze gesprekken er dus voor zorgen dat mensen bang zijn en klein gehouden worden. Later heb ik nog wel een gesprek aangevraagd. Insteek was een vraag die me bezig hield; of zijn beeld van mij (het door hem benoemde ‘laisser faire’ aanpak en ‘experimenteren’) van invloed zou kunnen zijn als hij met deze ‘bril’ mij be(/voor)oordeelt? “Dat zou best eens kunnen!” was daarop het antwoord. Eerlijk van hem en voor mij een positieve afsluiting van een relatief korte samenwerking.

Ruim een jaar geleden startte ik op mijn huidige school. Met een gedreven locatieleider had ik alle vertrouwen dat ik met mijn kwaliteiten en mogelijkheden zou kunnen bijdragen aan de ontwikkeling van de leerlingen en de school. En ja, van haar heb ik mogen aanpassen voor en (onder)bouwen (van/)aan beter onderwijs en het motiveren en empoweren van leerlingen! Het eerste half jaar was top. Een klas waarin mijn geliefde ‘apprenticeship’ bewaarheid werd. Ik voelde me als een vis in het water en had zin om vol het nieuwe jaar gaan. Een nieuwe, frisse groep. Maar het liep anders. Voor het eerst sinds vier jaar kreeg ik weer een gemixte groep, een groep waarin de noden zo ver uiteen liepen dat van ‘binding’ nooit sprake is geweest, laat staan ‘bridging’. Ja, individuen verder brengen is me gelukt, echter groeit het besef dat op ‘deze wijze’ het speciaal onderwijs in stand gehouden wordt. En natuurlijk ging ik er voor de volle 100% in, maar in december werd ik verkouden (dat ik niet vaak ben) en dat hield aan tot eind januari. Tussendoor werkte ik ‘gewoon’, maar na een beginnende longontsteking en anderhalve week op bed te hebben gelegen is er een periode aangebroken van nadenken en ‘finetunen’ van gedachten, mijn visie op dit type (speciaal) onderwijs en het echt benutten van mijn kwaliteiten. Het voelde als het eerste half jaar van mijn ‘korte’ loopbaan. Ik werd terug in de tijd gesmeten en het turbulente jaar koste me veel energie.

Tijd voor bezinning! De afgelopen weken/maanden heb ik veel nagedacht over wat ik wilde. Ik mis het onderzoeken en de tijd om hier aan te werken. Er zijn veel thema’s die me bezighouden, waaronder diversiteit, ‘bonding and bridging’ op micro- en macroniveau en de verbinding en transitie van speciaal en(/naar) regulier onderwijs. Maar ook de inzet van nieuwe media/vormen binnen onderwijs. Ik weet ook dat er al zoveel mooie dingen gedaan worden in het onderwijs en ik wil ook dit onderzoeken en eventueel uitzetten in mijn praktijk. Mijn huidige context is zeer complex (klassen met 13 leerlingen (vroeger 9!), problematiek en niveau gemixt in één groep, één groepsleerkracht geeft alle (!!) vakken, volgt de leerling ook sociaal-emotioneel, onderhoudt oudercontacten, schrijft verslagen (ongoing proces) op basis van gedegen observaties). Om mijn onderwijspraktijk te verrijken wil ik graag vooruit. Ik wil op zoek en schrijven over mijn dagelijkse praktijk, good practices delen en bouwen aan goed onderwijs. Binnen mijn eigen werkcontext is hier te weinig ruimte voor. Ik heb het idee dat er ook niet echt geluisterd wordt en dat beperkt mijn gevoel van autonomie en remt mij op een onnatuurlijke wijze. Dat maakt dat ik deze ruimte ga pakken door een dag ontslag te nemen om ideeën/vraagstukken uit te werken, om te onderzoeken en om het onderwijs in mijn klas, voor mijn leerlingen en vele andere leerlingen die anders leren en/of thuiszitten te verbeteren!

Here I go, plons!

Waarom thuis zitten als je op school welkom bent?!

Probleemleerling als risicofactor”, zo kopt het Reformatorisch Dagblad vandaag! Een bijzondere kop, daar waar leerlingen gezien blijven worden als ‘probleem’… Verder in het artikel wordt zelfs nog eens de denigrerende uitspraak van die politicus herhaald. Blijkbaar had de schrijfster even een blind ‘vlekje’. 

Laten we stoppen met stigma’s in leven houden… Waar het om gaat is namelijk veel belangrijker: leerlingen die thuis zitten omdat zij en hun ouders geen plek vinden in het onderwijs, iets waar zij wel RECHT op hebben! Om dan eenzijdig naar de leerling te wijzen is veel te kort door de bocht.

In mijn vorige blog doe ik een voorstel om scholen voor regulier en speciaal onderwijs samen te brengen onder één dak. Vanuit de visie ‘gebruik maken van elkaars kwaliteiten’ zou je mogen stellen dat er binnen het speciaal onderwijs specialisten werken die weten hoe te werken met leerlingen die andere onderwijs leer-/zorgbehoeften en vragen.

Er wordt op de weg naar ‘passend’ onderwijs – die al sinds 2004 is ingezet – veel te weinig gebruik gemaakt van elkaars expertise. En ondanks – leg dit in het buitenland eens uit – dat ‘we’ speciaal (basis)onderwijs hebben, blijft het natuurlijk nog steeds verwonderlijk dat er ongeveer 16.000 ‘onderwijswezen’ zowel kort- als langdurig thuis zitten.

We hebben toch speciaal onderwijs in het leven geroepen om… Ach, laat ook maar!
Op zoek gaan naar oplossingen biedt wellicht meer perspectief…

Samenwerken en op (onder)zoek!In het stuk dat vandaag verscheen benoemt Katinka Slump ‘schaalvergroting’ en de ‘professionalisering van de schoolbesturen’ als belangrijke oorzaken voor de toename van het aantal thuiszitters.

Zelf ben ik werkzaam binnen een stichting voor speciaal onderwijs en is de schaalvergroting – mede door een fusie – duidelijk voelbaar! Inzoomen op de noden en behoeften van individuele leerlingen wordt mij als leerkracht steeds moeilijker gemaakt. Door verschillende (achterhaalde) protocollen en nauwe kaders wordt ook in het (voortgezet) speciaal onderwijs van mij als leerkracht verwacht dat na vier jaar een leerling met dezelfde bagage als in het regulier onderwijs wordt afgeleverd! Dit schijnt opgedragen te zijn door de inspectie, zo zegt men!? Het doel: hetzelfde uitstroomperspectief als reguliere leerlingen. 

De voorwaarden die daar voor nodig zijn worden minimaal geschapen. Faciliteren is een vies woord. Dus ook in het speciaal onderwijs is de druk voor leerkrachten en leerlingen zeer hoog! Dat kan een verklaring zijn dat er zelfs leerlingen uit het cluster4 onderwijs thuis komen te zitten en/of doorstomen naar interne opname…

Volgens mij zou de visie in het speciaal onderwijs dienen te zijn dat er gekeken en gewerkt wordt naar wat van belang is voor de leerling, op zowel pedagogisch als didactisch vlak. Dit om vervolgens – waar nodig – de (directe/familie-/leef-)omgeving aan te passen! Dit om het aanleren van vaardigheden te vergemakkelijken, waardoor moeilijkheden overwonnen kunnen worden. Vervolgens kan gezorgd worden dat de transitie naar het regulier onderwijs, ook wel bonding and bridging genoemd, plaats kan vinden! Speciaal onderwijs zou een tijdelijke pitstop – stilstaan, kijken wat nodig is, nieuwe brandstof en GO! – dienen te zijn!

Het grote geheel ingezoomdMet ‘professionalisering van de schoolbesturen’ doelt Slump op het feit dat er steeds meer professionals zonder onderwijsachtergrond in besturen plaatsnemen. Daar zou je aan toe kunnen voegen dat prioriteiten en doelen van bestuurders anders (kunnen) liggen dan die van de leerkracht op de vloer. Dat is al merkbaar wanneer je een inhoudelijk gesprek voert met de laag/lagen tussen de leerkracht en het bestuur. Het gaat niet meer over de leerling en diens specifieke en individuele onderwijsbehoefte(n), maar om (opbrengstgerichte) doelen die gerealiseerd dienen te worden.

Wanneer je als leerkracht ziet dat in de dagelijkse praktijk aanpassingen nodig zijn, dient dit inhoudelijk via verschillende kanalen onderbouwd te worden. De leerkracht wordt op deze wijze in mindere mate als professional gezien, opgezadeld met onnodig veel werk en niet de ruimte geboden om ‘good practices’ te delen. Het gaat ten koste van de ontwikkeling van leerlingen! Leerkrachten voelen zich niet gehoord en de ruimte om bij/met leerlingen echt ‘onder de ijsberg’ te gaan en te investeren in de totale ontwikkeling van deze leerlingen komt in het gedrang.

De oplossing is dus simpel: een heldere visie en missie voorleven, praktisch uitvoeren met de noden van leerlingen met speciale/andere onderwijsbehoeften voorop! De vakinhoudelijke kennis volgt! En wie kan dit beter organiseren dan de professional ‘op de werkvloer’? Zij werken dagelijks met de leerlingen. En ja, een wetswijziging is zeker een belangrijke stap en biedt kansen voor veel leerlingen, want zoals Slump stelt: “…het gevolg is dat nieuwe wetten nu alleen getoetst worden aan de vrijheid van onderwijs, een recht dat wel in de Grondwet staat. Of het recht op onderwijs in het geding is, wordt onvoldoende onderzocht.” 

Er ligt dus een grote verantwoordelijk bij leerkrachten zelf. Deze dient ook genomen te worden! Beleid dat zonder enig overleg top-down wordt opgelegd maakt mensen juist lui en onverantwoordelijk. Dat leidt tot nog meer willen toetsen en controleren! 

Het is juist de leerkracht die het verschil maakt, een open deur lijkt me. Het is dan ook aan leerkrachten om duidelijke grenzen te stellen en beleid mee te ontwikkelen, met oog voor de leerling en eigen professionaliteit. En ja, soms is het nodig om burgerlijk ongehoorzaam te zijn!

En dan natuurlijk de belangrijke vraag: is iedere leerkracht toegerust op leerlingen met andere onderwijs-/zorgbehoeften? Op twitter volgt een dialoog met Hannes Minkema waarin hij aangeeft niet het gevoel te hebben bij machte te zijn om zijn onderwijs echt passend te maken. Zelfs vanuit mijn context een herkenbaar gevoel! Als hoofdzaak noemt hij tijdgebrek, te volle klassen en veel lesuren waardoor er weinig tijd per leerling overblijft voor aandacht en differentiatie. Ook zegt Minkema dat het aantal leerlingen toeneemt waarbij ouders individuele aandacht, begeleiding en traject-op-maat verwachten. En natuurlijk heeft hij gelijk dat het een te grote verantwoordelijkheid is voor een leerkracht om het alleen te doen.

Daarom pleit ik voor gedeelde verantwoordelijkheid, het nemen van autonomie, kennis delen als eerste stap en SAMEN met leerlingen, ouders, leerkrachten én bestuurders de verbinding maken om samen te bouwen aan goed onderwijs!

Minkema stelt voor om in de provincie Drenthe proef te draaien met ‘passend’ onderwijs. Een goed idee, een pilot, kinderziektes eruit en door… Graag zou ik een berekening willen zien van alle onderwijsuitgaven en scholen/klassendeler/zorgleerlingen/thuiszitters nu en daar tegenover een berekening van alle onderwijsgelden bij elkaar, het speciaal onderwijs opheffen en een concept neerzetten waar zowel vrijheid als recht op onderwijs een plek vinden binnen scholen.
Ontstaan er dan niet automatisch kleinere klassen?
Kan er dan niet extra begeleiding per school ‘ingekocht’ worden? 

En daarbij, je creëert automatisch een andere mindset. Dit omdat alleen een SAMENleving als geheel dit kan dragen. En natuurlijk betekent dit een hoop praktische ‘bezwaren’, bijvoorbeeld dat er schoolgebouwen zijn die niet toegerust zijn op het leerproces maar op klassen van max. 32 leerlingen. Of dat lesuren anders ingedeeld dienen te worden (flipping, lesuren van 70-90 min., …), opleidingen wellicht anders vormgegeven dienen te worden… Het moet kunnen!

Het gaat er om dat we op de lange termijn in Nederland goed onderwijs bieden waarbij iedere leerling zich op school welkom voelt, gezien wordt en zichzelf – vanuit vertrouwen en zijn/haar gehele zijn – maximaal kan ont-wikkelen! Het is onze taak als samenleving en aan leerkrachten – changemakers – om iedereen in te sluiten door gebruik te maken van elkaars talenten. Het start bij jezelf als opvoeder! Voorleven…

Een utopie?

Dacht het niet!

De tijd is daar!

Bloggen vind ik best lastig. Dat komt omdat het in woorden en zinnen duidelijk maken van wat in mijn hoofd zo ontzettend snel gaat, ik niet snel en (voor mijn gevoel) duidelijk genoeg op papier krijg. Leuke dingen, ervaringen, reflecties, maar ook zaken waar ik tegenaan loop, wat ik moeilijk vind en wat me soms frustreert. Soms lees ik wat ik geschreven heb wel 40x over en over om er zeker van te zijn dat wat ik graag zou willen schrijven (mijn overdenkingen) juist beschreven staan. Onzekerheid, een zoektocht naar de juiste zinnen en woorden en mijn (snelle) gedachten…voor mij ‘no perfect match’! Ook besef ik maar al te goed dat mijn biografisch perspectief en huidige werkcontext mijn beeld op onderwijs en ontwikkeling van mensen (met andere onderwijsbehoeften) kleurt. Ik voel, doe en bereik! En dat wil ik graag delen.

De tijd is daar! De tijd om mijn sprong te maken. Vele signalen zijn op mijn pad gekomen, vele initiatieven (nog) niet (genoeg) geslaagd. Getriggerd door ervaringen en gesprekken met mijn vrouw, mijn kinderen, leerlingen, mensen uit mijn (directe) omgeving, gesprekken met (naaste) collega’s, mensen die ik via sociale media heb ontmoet of zelfs volstrekt vreemden, hebben mij gebracht tot waar ik nu sta. Daar, op het einde van die plank, een horizon voor me…geen geplaveide wegen, geen strak blauwe zee onder me, geen eiland dichtbij om rust te vinden. Turend naar de spiegeling van bergtoppen in het water. 

De tijd is daar! De tijd om te doen wat ik denk dat belangrijk is. Dat wat er toe doet. Langzaamaan krijgt mijn beeld contouren en kleur. En ja, ook buiten die contouren ontstaan kleuren. Binnen de lijnen is het niet altijd de plek waar ik me het meest prettig voel. Daarbuiten is het regelmatig koud, kil en eenzaam, maakt het mij onzeker en toch…ook daar wordt het langzaam warmer en begint de zon te schijnen. Het eiland wordt beter zichtbaar. Vanaf mijn plank besef ik dat de weg die ik neem doorgaans niet vaak gekozen wordt. Toch weet ik, door de beweging om mij heen, dat de weg die ik heb in geslagen de juiste is. Ik kijk naar beneden, zie mijn benen, voeten en plank, omringd door water. Misschien is het wel niet zo diep als dat mijn angst denkt dat het is… 

Als de dag van gisteren herinner ik me de klim naar die bergtop die nu vanuit het troebele water naar me knipoogt. Een mooie dag, de zon en een warm begin van de klim. Eenentwintig en een halve kilometer later had ik alle weersomstandigheden mogen begroeten en begon aan een heroïsche afdaling. Van in de dichte mist met hagel en sneeuw beklede top naar regeldruppels die steeds warmer en groter werden totdat het voelde als een krachtige waterval. In vertrouwen en volle snelheid naar beneden suizend. In het moment hangend, bewust van de snelheid en het doordringen van de warme druppels op mijn huid. Zou mijn sprong ook zo voelen? Ik zal het gaan ervaren…de tijd is daar…

“Waar maak je een punt van? Hou je maar stil!”

Een week voor de vakantie verwonderde ik me over een mailwisseling tussen twee collega’s. Onderwerp was dat het berekenen van de SO- en PW-cijfers niet correct was. Een bijzondere dialoog om te volgen, temeer omdat de argumenten rondom ‘het berekenen van een gemiddelde’ en ‘eerlijk/oneerlijk’ bleven hangen. Ik miste de inhoud en merkte dat het me zelfs een beetje frustreerde! Met z’n allen volgen we een format, we kijken niet kritisch of het überhaupt klopt en dan komt een leerling vertellen dat het berekenen van het gemiddelde niet klopt!? Ik zeg een tien voor deze leerling en zijn ‘critical skills’! Hij gaat zijn met de tijd mee! Waar ik me over bleef opwinden was het feit dat ik de fundamentele vraag “Wat is de visie achter het geven van cijfers?” miste! De mail stond klaar om verstuurd te worden, maar onder de noemers ‘knuppel’ en ‘hoenderhok’ besloot ik niet te mailen en eerst een reactie van mijn onderwijskundig leidinggevenden af te wachten. Het bleef echter stil…

We zijn opgevoed met toetsen. Het is een ‘way of life’ geworden, ingebed, tot routine verheven, het leidt ons handelen en spreken als samenleving de ‘toetstaal’. “Goh, wat was de cito-score van jouw zoon?” “Hoe doen jouw leerlingen het? Bovengemiddeld?” “Ow, en wist je dat de cito op Marktplaats te koop is?” Ook binnen onze school wordt het overgangsbeleid grotendeels gestoeld op cijfers. Leerlingen durven in de klas gelukkig te benoemen dat ze angst hebben om te falen. Een toets levert een aantal leerlingen alleen maar meer vragen op rondom vraagstellingen, vage redeneringen en plaatjes die onduidelijk zijn. Een proefwerk maken, maar vijf tot tien keer vragen wat ze precies bedoelen met de vraag of plaatje. Ik vraag me dan weer af of ze dat alleen bij mij in de groep hebben, het blijft zo stil…

Dus als de vragen in de toets alleen al heel veel vragen oproepen, hoe kunnen ze dan laten zien dat zij de kennis die ze geconstrueerd hebben zich eigen hebben gemaakt? Het gaat in mijn geval over leerlingen met andere onderwijs(leer)behoeften. Die leerlingen waar het regulier onderwijs niets mee kan en wil, die! En wat maakt nu precies dat scholen met deze leerlingen niets kunnen? Zij leren anders! Daar hoef je geen hogere wiskunde voor gestudeerd te hebben. Mijn vraag, die steeds vaker boven komt drijven, is of gestandaardiseerde toetsen wel recht doen aan het principe van ‘gelijke onderwijskansen om succesvol te worden’? En gelijke onderwijskansen betekent niet gestandaardiseerde methodetoetsen gebruiken op leerlingen die atypisch leren, het gaat om het faciliteren en ondersteunen van de inspanningen om de aanpassingen die nodig zijn te bewerkstelligen. Om ook leerlingen met een ander brein in te sluiten in het curriculum. Er is een grote diversiteit aan leerlingen, met vaak zeer uiteenlopende leefomstandigheden en een zeer verschillende motivatie om te leren. Het aanpakken en voor de leerlingen overwinnen van gedrags- en/of leermoeilijkheden is mijn inziens niet gebaat bij het geven van punten. Voor mij is duidelijk dat dit stress verhoogt, faalangst voedt, de diversiteit vergroot en dat daarmee de veiligheid in de groep en het positief welbevinden van de leerling afnemen… En is een ongelukkige leerling dat wat we willen? Wie doorbreekt de stilte…?

“The meaningful participation of students with disabilities in large-scale assessments 
and compliance with the legal rights of individuals with disabilities in some instances 
require steps that are beyond current knowledge and technology”


Voordat een leerling met ‘andere onderwijs(leer)behoeften’ getoetst wordt is het wel van belang om kennis opgedaan te hebben van de diagnostiek en de grote verscheidenheid rondom de ‘problematiek’ die leerlingen kunnen ervaren! Om het intellectuele potentieel waarover zij beschikken ten volle te kunnen benutten, is het aanpassen van het onderwijs van groot belang. Een label alleen, met bijbehorende verklaringsmodellen, zegt nog niets! De ontwikkeling is een individueel verhaal. Wat maakt dat homogene groepen en toetsmomenten, koste wat het kost, in stand gehouden worden? Als ik me bedenk dat ik dat alleen moet doen voor mijn dertien leerlingen, dan word ik daar even stil van…

De leerkracht met een onderzoekende houding en het principe ‘een leven lang leren’ zal een toets zien als reflectie op zijn eigen professionaliteit. De toets zegt dus iets over de ‘teaching skills’ van de leerkracht! Wanneer je als leerkracht je verantwoordelijk voelt voor de uitkomsten van een gemaakte toets zal gepersonaliseerd leren en creatief lesgeven het onderwijsleerproces, en daarmee de ontwikkeling van leerlingen, alleen maar ten goede komen! Uniforme normen, statistische indicatoren en focus op gestandaardiseerde testen legt een druk bij leerkrachten en voorkomt dat ze creatieve ‘afslagen’ nemen om de ontwikkeling van leerlingen te bevorderen. Ook het ‘oefenen voor een toets’ maakt een illusie van het ontwikkelingsproces. In principe kunnen er dus geen lage cijfers gehaald worden! Er is een gedegen instructie geweest, verwerking (al dan niet samen met andere lln/de leerkracht) heeft plaatsgevonden, er is met de leerling geëvalueerd, gereflecteerd, geanalyseerd en er wordt waar nodig gedifferentieerd. Een argument uit de mailwisseling dat een kind bij slecht slapen direct een drie haalt is echt te kort door de bocht. Een kind kan drie nachten slecht slapen, kennis is aanwezig en verankerd bij goed onderwijs! Eerder lijkt het me dat je een leerling niet toetst…een slecht punt betekent namelijk…een stille leerling! 

 “Talents need to be carefully nutured and directed. I have heard sad stories of 
a teacher stamping out a child’s interest in art. If a child draws the same cartoon 
character over and over, one simple way to encourage him or her to draw other 
objects is to ask for something that is related to the character.” – Jill Mullen

Een goede leerkracht (of noemen we die excellent? En hoe meten we dat eigenlijk?) motiveert en ‘engaged’ leerlingen. Hij laat leerlingen verwonderen en nieuwsgierig exploreren. En misschien wel het belangrijkste, een goede leerkracht helpt leerlingen bij het leren van hun fouten. Cijfers en testscores alleen meten dat niet! Een toets zegt niets over het oplossen van complexe problemen, niets over de creativiteit en niets over de verantwoordelijkheid en het doorzettingsvermogen van leerlingen. Ik heb sterk het gevoel, en de opgelaaide cito-discussie ondersteunt dit, dat we als onderwijs verder weg geraken van waar het eigenlijk allemaal om draait: de leerling in zijn/haar gehele ontwikkeling verder brengen!

Bronnen:
₁ National Research Council, Committee on Goals 2000 and the Inclusion of Students with Disabilities, Educating One and All: Students with Disabilities and Standards-Based Reform (Washington, DC: National Academy Press, 1997), 103.
Geurts, H. D. (2010). De diagnostiek van comorbiditeit bij patiënten met een autismespectrumstoornis. Tijdschrift voor psychiatrie 52 (11) , 753-761.
Koretz, D. (2008). Measuring Up. What educational testing realy tells us. the President and Fellows of Harvard College.
Mesibov G.B., S. V. (2004). The TEACCH Approach to Autism Spectrum Disorders. New York: Springer.
Mullen, J. (2009). Drawing autism. New York: Mark Batty Publisher.
Roeyers, H. (2008). Autisme: Alles op een rijtje. Leuven: Acco.
Sahlberg, P. (2013). Finnish Lessons. Wat Nederland kan leren van het Finse onderwijs. Helmond: Onderwijs Maak Je Samen.
Van Berckelaer-Onnes, I. (2008). Autisme: van beeldvorming naar evidence-based (be)handelen: een proces in ontwikkeling. Wetenschappelijk Tijdschrift Autisme , 44-57.
Vermeulen, P. M. (2010). Autisme en normale begaafdheid in het onderwijs. Berchem: EPO.

No Boobs No Glory

Het startte als een gewone zondag… Die middag zou ik samen met Inge naar een benefietactie van stichting No Guts No Glory gaan. NGNG zet zich in voor kankerpatiënten die baat kunnen hebben bij een behandeling (die in Nederland niet wordt vergoed). Het thema was ‘No Boobs No Glory’, dat zijn oorsprong vindt in een reactie op facebook van Ronald Herregraven, gastheer van de middag. Tijdens een chemokuur reageerde hij enthousiast op een foto van een vriendin waar haar decolleté zichtbaar was, vele vrouwen stuurden hem foto’s en NBNG was geboren!
Toen we binnen kwamen was de band The Liszt net bezig. Een akoestische set en toch zoveel power! Ronald (bassist van de band) genoot zichtbaar van het moment en zou dat de gehele middag en avond doen! En tevens was duidelijk te zien dat het niet goed ging met Ronald. In een bijzonder gesprek dat ik later op de middag met hem had, gaf hij aan dat hij nog regelmatig terug denkt aan de ontmoeting met mijn leerlingen en het te gek vindt nog steeds contact te hebben met een enkeling daarvan op twitter!

Het gevoel van ‘samen’ overheerste voor mij deze middag. Naast de bands zoals The Liszt, The Kik en Green Lizard verzorgde Frank Kimenai het eten (chilli-videoverslag/recept), kon je overdag genieten van taarten van Sofie Gloudemans, werden ballonnen de lucht ingelaten, werd er een loterij georganiseerd, je kon foto’s laten maken door Eric van Horrik en William van de Voort registreerde de dag. Dit alles ten gunste van NGNG! Co-creatie to the max!

Wat maakt dat ik dit wil delen? Als eerste om alle respect en dank te uiten voor de organisatie van het benefiet en in het bijzonder Ellen Gerritsen, de drijvende kracht achter de stichting en dit initiatief! Ten tweede omdat deze middag een enorme indruk op mij heeft gemaakt om meerdere redenen; De ‘vibe’ van een nieuw leven en de dood was voor mij deze dag duidelijk voelbaar… In de wetenschap dat Ronald niet lang meer heeft en de aanwezige zwangere vrouwen, maakte het…laat ik ‘bijzonder’ zeggen… En toch was de gehele setting (De Nwe Vorst, de bands, de chilli, taarten, merch, …) dusdanig, dat er een soort geborgen ‘huiskamersfeer’ hing! Lekker bandjes luisteren, biertje, wat kletsen in een ‘alles mag niets moet’ sfeer. De roos bij het naar huis gaan maakte het af! Dank! Meer foto’s van het benefiet…

Steun No Guts No Glory! DOEN! #like ook op FACEBOOK!

OPSTELten over vuurwerk


Tijdens het NOS journaal van gister was Ivo Opstelten te horen over de afname van incidenten rondom de jaarwisseling. Een positieve reactie bleef echter uit… Mijn grote vraag is of de Minister van Veiligheid en Justitie met deze houding diegene bereikt die het betreft?!

Voor mij heeft een minister, ofwel de gehele politiek, een voorbeeldfunctie! Dat betekent dat juist ook het positieve benoemd MOET worden! Het werkt mee aan een open ‘mindset’ rondom begripsvorming, intermenselijke relaties, incidenten, mediabeeld en ga zo maar door. Wat er wordt vergeten is dat mensen ook graag horen dat het goed is gegaan, het zogenaamde ‘compliment’. Hoe vaak wordt dit niet vergeten? Het is bekend dat tegenover een negatieve ervaring en/of opmerking vier tot zeven positieve ervaringen/opmerkingen dienen te staan. Dus positief loopt vaak al automatisch achter op negatief… En daar waar goed voorbeeld goed volgen betekent, lijkt mij dit optreden van minister Opstelten een valse start van 2013.

Maar niet getreurd, Ivo, het komt helemaal goed, ik heb er vertrouwen in! Zoals je misschien weet speel ik in een bandje en daar is het een soort van ‘ongeschreven regel’ dat wanneer je het niet eens bent met een akkoordenschema, solo, drumriff of welke baslijn dan ook, dat je uitlegt wat maakt dat het je niet kan bekoren. Dit is stap 1. En ow, dat gebeurt eigenlijk altijd wel met wederzijds respect! Iets is namelijk niet voor niets verzonnen en je bent een band met elkaar aangegaan. Dus Ivo, misschien is het slim om eerst uit te leggen wat u nu precies inhoudelijk stoort, mist en graag anders had willen zien tijdens de jaarwisseling. Uw eerste pluspunten heeft u dan al te pakken! En natuurlijk is iedereen het met u eens, “ieder incident is er één te veel!”

Wanneer is uitgelegd dat een schema, solo, drumriff of baslijn niet of minder goed aansluit op dat wat verzonnen is, ligt het in het verlengde dat er met een alternatief gekomen wordt. Let op Ivo, hier kunnen dus heel veel pluspunten verdiend worden! Een nummer is doorgaans niet in één enkele sessie of repetitie geschreven. Het is een creatief proces waarbij meerdere bandleden van invloed zijn, best complex soms. Ik begrijp dus heel goed dat wanneer je een land bestuurt, je te maken hebt met heel veel mensen, wetten, protocollen en dat dit dus best een ingewikkeld geheel is! Ja, ieder incident is er één te veel, en toch, van 110 naar 74 is een vooruitgang, niet? En dat er misschien andere variabelen als het weer, drugs, alcohol, peer druk kunnen meespelen, laten we hier even buiten beschouwing, dat komt later. Waar ik heen wil is: het alternatief! Wat gaat het alternatief worden, Ivo? Meer straf? Harder optreden? Meer ME op straat? Een vuurwerkverbod? Geen alcohol en drugs onder de…21?

De grote vraag is dat de ‘toon’ moet zijn!? Het klinkt mij allemaal wat vals in mijn oren! Ik kan ook wel uitleggen waarom: het opvoeden van mensen is complexer dan het afschrikken door te straffen, bij regels zijn er altijd mensen die de grens opzoeken en erover gaan, en daarnaast, het is mij niet precies duidelijk wat deze mensen precies drijft om agressie tegen hulpverleners te gebruiken. Ik zou me minder laten leiden door de cijfers en op zoek gaan naar de werkelijke reden van minstens de helft van de 74 incidenten. Vervolgens kunt u verder bouwen aan constructief beleid. Dus Den Haag uit, het land in en de ‘daders’ interviewen! Geef hen een stem, dan kunt u direct uw beleid toetsen in de praktijk.

Het lijkt mij een mooie uitdaging, en u? Laten we er een opdrachtje aan koppelen: over twee weken een OPSTEL van TENminste 40 pagina’s met een duidelijke stelling, uw hypotheses, de interviews met argumenten, analyses belicht vanuit verschillende bronnen, variabelen, oorzaken en theorieën én vooral de OPLOSSINGEN! Tip: denk ook eens aan herstelrecht, misschien een leuke om mee te nemen in uw conclusies… En na beoordeling pas de media in, dan gaat het zeker klinken!