Blog : visie

Op tijd rekenen

Op tijd rekenen

We zijn op tijd, maar in de klas lijkt het uit te lopen. De kookwekker lijkt iedere tien minuten niet doeltreffend genoeg. Een ander ouderpaar ploft naast ons op een bank neer en we kijken elkaar wat bedenkend aan. Bij mij de twijfel. Zijn we dan misschien toch te laat? Of te vroeg?

Met een zwaai wordt de klasdeur open gegooid. Een rood, gespannen gezicht volgt twee ouders die het lokaal uitsnellen. De planning loopt niet geheel volgens plan. Samen met mijn vrouw loop ik in het spoor van de juf naar binnen. Ik neem plaats op de stoel van een groep 4-der.

Wat volgt is een uitgebreide uitleg van hoe het jaar praktisch is gestart, waar de juf en ook de kinderen aan gewerkt hebben en wat haar ervaringen zijn tijdens het werken met onze zoon. Ik luister en wacht geduldig op het moment dat we het gaan hebben over zijn voortgang. De secondes tikken weg.

Lees verder

Op nul beginnen

Op nul beginnen

Deze tijd, de herfst, is voor mij een speciale tijd. Bladeren vallen, net als inzichten en ervaringen. Een kleurrijke voedingsbodem ontstaat waardoor iets nieuws kan groeien. Vandaag, wanneer ik wakker word, daalt een inzicht: iedere dag een nieuwe, verse start maken is voor mij een uitdaging! Iedere dag op nul beginnen. Dat.

Ooit was er die collega, die mij niet het weekend in liet gaan. Eerder op die dag had er zich een voorval plaatsgevonden: Okke gooide een stoel door het lokaal, smeet de klasdeur open en rende weg. Hij werd opgevangen, gefixeerd en de bedreiging van Okke diende als inzet en ‘legitimering’ voor verwijdering van school.

Mijn collega zag aan mij dat ik het voorval niet kon loslaten en mee het weekend in zou nemen. Die mij-kunnen-ze-niets-maken-houding bleek voor hem iets te doorzichtig. 

Lees verder

En of er nog wat te leren valt!?

Daar zit je dan, begin van de avond omringd door jongeren, ouders, leraren, de directeur van het Kastanje College en andere betrokken mensen bij de première van ‘Valt er nog wat te leren’. In Cinerama Rotterdam hangt een mix van gezonde spanning, trots en blijdschap. De documentaire van Inge Spaander en haar leerlingen van 4Havo heeft bezoekers zichtbaar geraakt. Het is een mooi document geworden dat, zoals Inge vooraf uit de doeken deed, als tegenhanger dient in het soms murw geslagen debat over goed onderwijs.

Voor mij gaat de film een stuk verder: de leerling krijgt overduidelijk een stem en de kwetsbaarheid van Spaander – zo genoemd door haar apprentices – maakt dat het voor mij de discussie ontstijgt. Onderwijs doet haar naam in deze praktijk van het Kastanje College in Maassluis eer aan. Ik mag me begeven onder wijzen, ieder op zijn/haar eigen wijze! Ik zie en hoor hoe klein, mooi en puur onderwijs is.

De film toont mijn eigen stip aan de horizon, namelijk gedragen onderwijs. Het onderwijsconcept, dat de naam Big Picture heeft meegekregen, laat jongeren het grotere plaatje zien, brengt dat perspectief terug naar de leerling zelf, om vervolgens het beste in zichzelf naar boven te brengen en betekenis te geven. Niet het talent eruit halen, maar juist door het potentieel te zien vinden, en aan te spreken. Kennis construeren door de dialoog.

Spaander is helder in alles wat ze op het witte doek brengt: “Ik heb – als leraar – de plicht het onderwijs te beschouwen, niet stil te staan en nooit tevreden te zijn. Tegelijkertijd maak ik het onderwijs in de klas, samen met mijn leerlingen!

Een fantastisch statement waarbij deze powerjuf – want wat een overgave, vijf jaar op rij met dezelfde groep kinderen optrekken en meegroeien – haar leerlingen vastpakt! Spaander beschouwt haar onderwijzen van dichtbij en veraf, daagt haar leerling uit de verantwoordelijkheid over het eigen leerproces op te pakken en betrekt ouders en collega’s erbij. Dat doet ze door de ‘functionele waarom’-vraag te stellen en daarmee een groter plaatje helder te krijgen. Vanuit haar kwetsbaarheid stelt zij zichzelf misschien wel de meeste vragen.

Het is de kracht van de twijfel, van het reflecteren en zoals ze dat zelf benoemd: “…leerlingen leren – en ook de ruimte geven om te mogen oefenen – hoe ze van waarde kunnen zijn en sterk in de toekomst kunnen staan.

Ze durft zich te laten leiden door wat de groep aanreikt. En dit proces vraagt moed! De moed om te blijven luisteren, af te stemmen en – binnen het proces dat samen wordt aangegaan – volledig te blijven vertrouwen in de ander. Daardoor worden moeilijke momenten overwonnen. Het door en door leren kennen van jezelf en elkaar maakt de groep tot één familie. Of zoals het ook wordt benoemd, een samenleving in het klein.

Het gaat over het aangaan van persoonlijke processen, of zoals Gert Biesta zegt in de documentaire: “…over vorming van de persoon.”

De directeur van het Kastanje College ziet verantwoordelijke en zelfbewuste jongeren die eigenlijk al als volwassen in het leven staan. En precies dat – het zien, laten zijn en het spiegelen – is wat van een docent moed vraagt! Dicht bij jezelf blijven, laten zien wie je bent en iedere dag weer uitgedaagd worden het beste uit jezelf te halen.

Je moet het zelf doen, maar nooit alleen!

Het was deze uitspraak van Luc Stevens in ‘Valt er hier nog wat te leren’ die me resoluut rechtop in mijn stoel zette. En of er nog wat te leren valt!? Wellicht dat ‘de moed het zelf te doen, maar nooit alleen’ in het proces past waar ik me als vso-leraar momenteel bevind. Vanaf de zomer ben ik met mijn collega Florus en 24 leerlingen uit twee VSO-klassen een soortgelijk proces aangegaan. We zijn een ‘nieuwe’ onderwijsomgeving aan het vormgeven. Daarin willen we samen het onderwijs maken. Aansluiten bij de behoeften van het kind. Dat is een mooi, soms pijnlijk en eenzaam proces, zelfs nu we het samen doen.

Maar in onze pilot is er ook de analogie met de Big Picture-klas van Spaander. Het is een vorm van werken dat iets losmaakt, in ons als mens. Een vorm die mij en mijn leerlingen dwingt verbonden te zijn én kritisch naar onszelf te kijken. Ouders mee te nemen in ons proces en dat van onze school, om vanuit vertrouwen het kind in de wereld te zetten.

Wij hebben nog een lange weg te gaan, een pad dat Spaander en haar leerlingen dit schooljaar met examens aan het afsluiten is. Voor hen ligt er sowieso een waardenvol document. Ze mogen trots zijn, op elkaar, op de directie van de school en vooral op zichzelf. Good practice waarbij ik zie dat samen ook echt samen is, en waarbij eenheid in diversiteit wordt voorgeleefd.

Onderwijs dat wordt gedragen!


De rugzak en de vlinder

De rugzak en de vlinder

Werken in het speciaal onderwijs heeft ook wel zo zijn voordelen. Iedere dag mag ik werken met jongeren met een rugzak. Gekregen van de overheid! Gewoon omdat het zo geregeld is en tegelijkertijd om het meest passende onderwijsaanbod af te kunnen stemmen op de noden en behoeften van deze jongeren. Zo wordt gezegd.

Alleen…mijn voordeel gaat echter, anders dan het ‘voordeel’ leerlinggebonden financiering, over de rugzak die een leerling zijn gehele leven meesleept, het verhaal.

Humans of New York, okt ’14

It was hell growing up. My parents were two pieces of shit. You don’t know what it was like coming home from school and being afraid because your mom is flying on fucking drugs so you go and hide under your bed and listen to them scream and wonder whether your dad or your mom was going to kill the other one first. One time my dad told my mom that he’d kill her if she hit me again. He came home that night and saw my face bruised up, so he dragged my mom out of her room by the legs, lifted her up by her throat and pinned her against the wall. Her face was turning more and more purple and I was pulling on her legs trying to get her feet back on the ground. Cause I didn’t want to see my dad kill my mom. She always beat me and called me a piece of shit and told me that I was going to hell, but that was my mom.

Het zijn de verhalen uit de rugzak, die soms eeuwig lijkend durende zoektocht. Het onontgonnen pad naar de plek waar hij/zij gehoord wordt, zichzelf mag zijn en leert gelukkig te zijn. Niets is mooier om de rups binnen te zien kruipen en uiteindelijk de vlinder te laten vliegen! Vol vertrouwen, het leerproces vooraf al aan te voelen en samen af te stemmen wat nodig is, start een ieder een eigen ont-wikkel-pad. Ieder met hun eigen verhaal, verleden en verlangens naar morgen.

Maar is er iets moeilijker dan het verhaal daar te laten waar het hoort? De weg naast elkaar te bewandelen, van elkaar te leren, elkaar te ondersteunen en op een bepaald punt afscheid van elkaar te nemen. En juist dit laatste, het loslaten, is mijn allergrootste uitdaging! Het willen zorgen, het beter weten door levenservaringen, mijn ideaal en de passie voor onderwijs zijn regelmatig obstakels.

Ooit las ik een verhaal over de man in het bos die al dagen een vlinder zag worstelen om uit de cocon te komen. Op het moment dat de man de keus maakte om te helpen, viel de vlinder op de grond. Het was vleugellam en afhankelijk om in leven te blijven…

Het juiste doen op het juiste moment. Volledig vertrouwen op dat iedereen zelf wil vliegen! Zelf bepaalt wanneer. Het vraagt ondersteuning. Faciliteren. Inspireren. Voordoen. Voorleven. En soms levert dat een twijfel op. Een twijfel die regelmatig zo eenzaam voelt. ‘Het zekere weten te voorkomen’ klinkt leuk, maar vergt veel energie. Luisteren met je hart, tijd en ruimte creëren en het verhaal van de ander laten zijn!?

Het zijn de verhalen van hen, mij en/of samen die op enigerlei manier aansluiten op ieders leerproces. Op het moment dat het verhaal er mag zijn raakt het je, of -op dat moment – juist niet. Beide prima! Raken en geraakt worden, dat is wat het onderwijs een zo essentieel vak maakt! Het sterke aan storytelling is voor mij het kunnen identificeren en/of inleven in het verhaal, het vanuit verschillende perspectieven bekijken en durven bevragen. En het er met compassie op te kunnen reflecteren.

Het was deze week dat een collega mij attendeerde dat één van haar leerlingen op televisie zou komen. Een week eerder kwam de trailer al voorbij. Over een pleeggezin waar veel niet liep. Volgens ouders. Ergens wat paradoxaal denk ik dan. Het was een andere collega die haar aansprak:

Ik wist niet dat zijn leven zo heftig was…

Het raakte me dit te horen. Ja, mijn collega was enthousiast. Voor haar leerling. Begrijpelijk ergens, hij kreeg een stem. Misschien voelde hij wel ergens dat hij zich kon ‘bewijzen’ naar het achterliggende systeem. Oude pijn, een rekening ‘betalen’ en verder op weg!?

Maar wat was het dat wat mij raakte? Nee, het waren de vragen over die ‘voedzame bodem’, een onderwijsomgeving waarin onze leerlingen leren! Het speciaal onderwijs, vol met rugzakken vol verhalen: Worden leerlingen binnen onze school werkelijk gezien met alles wat ze bezitten en meenemen in hun rugtas? Welke ruimte is er voor het verhaal? Hoe krijgt het een plek in de relatie tussen de leraar en leerling, een plek in de groep, binnen de school en straks in de samenleving?

En als het verhaal dan gehoord wordt, stemmen we dan ook echt ons onderwijs af?

Nee, niet vanuit het ‘uit de cocon helpen’. Maar door te luisteren. Het verhaal laten zijn wat het is. Verwonderen. En samen op zoek naar wat nodig is, loslaten en zelf verder. De oprechte, objectieve vraagstelling. Gevolg: het antwoord wordt zelf gevonden, zelfs als dat niet mijn antwoord zou zijn!

Want ook al ben je het hartgrondig oneens, er is ergens een gemeenschappelijkheid. Vind dat!

Het vraagt om moed! De moed om eigen waarden te nuanceren. De ‘sport’ om oordelen, het vinden, zo lang mogelijk uit het verhaal te laten. In verbinding blijven zoeken naar het gemeenschappelijke, de eenheid in diversiteit. Het vinden ombuigen naar doen vanuit je eigen cirkel van invloed.

Mijn leerlingen en hun verhalen hebben mij mede gemaakt tot de mens en leraar die ik nu ben! Dankbaar kijk ik daar op terug. De ontmoetingen en verhalen draag ik met mij mee. Iedere periode met alle inzichten zijn als het transformeren van een rups in een vlinder, zo ook de jongere op weg naar volwassenheid. De transitie geeft kleur, aan de vleugels van de vlinder en aan ons als mens!

Meesters in Pesten

……of eigenlijk ‘Meesters over pesten’! Het was een woensdagavond tijdens het T-café van basisschool Trinoom in Eindhoven dat Marije Boot en Ronald Heidanus van Meesters In Onderwijs werden uitgenodigd om over pesten te praten. Niet over Methoden of Protocollen. Maar over het delen van ervaringen uit de praktijk. Over dat wat werkt. En waarom het zo werkt.

De start van de avond was aan Ronald, leerkracht in het cluster 4 voortgezet speciaal onderwijs en voorbereider van passend onderwijs in het regulier onderwijs. Met zijn verhalen uit de praktijk maakt hij ‘het spel van macht en onmacht’ zichtbaar. Hij vertelt hoe de pester als ook de gepeste beide onmachtig zijn en vervolgens naar de macht in zichzelf zoeken. Beide zijn ze onhandig in communicatie waarbij compassie de sleutel is naar even-waardigheid.

Dat pesten een ‘hot item’ is, is wel bekend. Dat pesten een wezenlijk onderdeel is van de ontwikkeling van kinderen, is wat minder de geaccepteerde norm. Op dit moment ligt er veel nadruk op het bestrijden van pestgedrag, getuige de vele methodes en het verplicht stellen van Pestprotocollen door het ministerie van onderwijs. Ronald en Marije kijken op een andere manier naar omgaan met pesten, waarbij het pesten zelf niet wordt bestreden, maar eerder gezien wordt als een uiting van iets anders.

In de ogen van Ronald heeft de leraar, sámen met ouders en de leerling zèlf, de regie over dat wat er gebeurt. Er is moed voor nodig om handelen af te stemmen op wat nodig is voor deze kinderen in deze situatie. Vaak gebeurt het dat onze oordelen en/of aannames over gedrag op het plein gevoed worden door oude pijn. Toen we zelf kind waren. We denken te handelen voor het welzijn van de kinderen. Maar in feite handelen we vooral namens onszelf. Voor onszelf. Echter, ieder kind heeft een eigenheid, is van zichzelf. Het heeft ouders, leerkrachten en vooral ook leeftijdsgenoten nodig om sterker te worden. Door alle vormen van pesten direct te willen stoppen zou je kinderen deze  leer-kracht weleens kunnen ontnemen.

Het belangrijkste is het zien en horen van leerlingen. Een veilige leeromgeving start bij een grondhouding. De openingsvraag van Ronald is dan ook: ‘Welke houding/mindset is gewenst?’ Hiermee zet hij direct mensen aan het denken. De ander veranderen is een lastige, zo niet een onmogelijke opgave. Jezelf veranderen is een stuk ‘eenvoudiger’. In ieder geval meer realistisch. Dus met welke houding sta je als leraar, ouder of begeleider voor de groep. Hoe ga je vanuit die houding vervolgens om met pesten?

Het spel, waar Ronald de basis voor legt, start bij het accepteren en zien van verschillen om vervolgens vanuit de relatie die je met een leerling hebt ruimte te creëren. Vanuit die ruimte ga je zoeken naar oplossingen. Belangrijk is de vraag te stellen: Wie is probleemeigenaar? Waar ligt ieders verantwoordelijkheid? Hoe empower je de gepeste én pester? Vanuit de relatie luisteren naar de stem van de leerling, ook als waarheidsbeleving anders is dan je eigen waarheid, en de tijd maken om samen te zoeken naar oplossingen. Dat zorgt voor een brede basis!

Na een korte pauze vervolgt Marije Boot de avond met de opmerking dat pesten een fenomeen is dat niet geïsoleerd kan worden gezien als iets van één of twee kinderen. Pesten heeft een functie in een systeem. Dat kan het familiesysteem van het kind zijn, waarin het thema slachtoffer-dader een grote rol speelt. Of het kan een onderdeel zijn van de cultuur van het schoolsysteem ‘Hier wordt niet gepest’. Dan is de boodschap dat pesten absoluut NIET aanwezig mag zijn. En we weten allemaal dat dat wat NIET gezien mag worden, JUIST meer zichtbaar wil worden…..

Een school is juist een plek waar alle kinderen met hun eigen (familie)systemen zich moeten voegen naar wat leidend is in een schoolsysteem. De normen en waarden van thuis kunnen verschillen met die van school. Dit kan leiden tot conflicten! LEES VERDER…

Over uitsluiten gesproken #3: ‘niet weten’

Over uitsluiten gesproken #3: ‘niet weten’

offline - Over uitsluiten gesproken-3.1‘Uit alles blijkt dat scholen niet weten wat ze te wachten staat.’ Zo kopte dagblad Trouw onlangs online over de invoering van Passend Onderwijs. Het artikel riep bij mij direct vragen op! Wat is ‘alles’? En welke scholen worden bedoeld? Wat staat scholen dan te wachten?

Dé vraag die mij nog het meest bezighield, was: wat betekent het ‘niet weten’ in de titel en hoe kan dat – voor ouders, leraren en leerlingen – worden omgezet in ‘samen weten’?

Bijna direct, in de inleiding, lijkt het antwoord te staan: ‘Leraren zeggen niet de middelen te hebben om deze zorgleerlingen te helpen. Ook vrezen ze dat de hulp aan hen ten koste gaat van andere leerlingen.’ Hoe kunnen we daar verandering in aanbrengen en wat is daarvoor nodig? Op naar ‘samen weten’!

taal en inhoud
Wat me raakt in dit artikel is de toon en het taalgebruik. In mijn visie op mens en onderwijs worstel ik met woorden als ‘doelgroep’, ‘zorgleerlingen’ en de benamingen van diagnoses. Deze woorden lijken mij enkel richtinggevend. Zij zouden de weg vrij kunnen maken om het individu beter te gaan begrijpen. Het helpt om gerichter vragen te stellen. Om vanuit de verwondering te weten te komen wat er speelt én wat nodig is.

Een van de moeders in het artikel heeft een lifestylemagazine. En stel nu dat het lifestylemagazine bij wil dragen aan een positieve beeldvorming zonder voor- en veroordelingen over een bepaalde doelgroep, hoe wordt dan de verbinding – of transitie – gemaakt naar en met andere partijen zoals ook scholen, initiatieven, individuen en uiteindelijk de samenleving als geheel? Wellicht dat deze moeder een voorstel heeft met constructieve en duurzame oplossingen. Een aanzet voor mogelijke antwoorden op het ‘niet weten’ via vragen vanuit het ‘willen weten’.

Voor mij is de triangulatie kind-leraar-ouder daarin onlosmakelijk verbonden met mijn handelen in de dagelijkse praktijk. Leren van en met elkaar. En als we binnen het onderwijs deze verbondenheid willen voelen, lijkt het loslaten van een te enge focus op zorgleerlingen en diagnoses van belang. Focus op enkel één aspect, zoals bijvoorbeeld een diagnose, kan vernauwen. Die narrow view belemmert je zicht. Er is zoveel meer. Uitsluiten ligt op de loer. Het brede spectrum is wat ik graag wil verkennen. Op naar samen weten!

In het artikel wordt over onderwerpen zoals: pesten, stigmatiserende beeldvorming, onvolledige informatie over en een maximum aantal procent zorgleerlingen.

Natuurlijk kun je het daarbij hebben over het ‘niet weten’. Beter is te erkennen dat dit enkel uitdagingen zijn waarvoor we, als opvoeders voor staan. En dus ook het onderwijs als geheel. Wat nodig is het zien van oplossingen en mogelijkheden. En om dit te kunnen zien is TIJD nodig. Tijd en ruimte om met elkaar – leerlingen, leraren, ouders, directies – in verbondenheid en in dialoog aan de slag te gaan richting het ‘samen weten’. Onderwijs dat past is wat hier uit voortvloeit, in welke vorm dan ook. Vorm volgt inhoud.

proces
Trouw schrijft vervolgens over een gezin dat achterdochtig is geworden. Een moeder vertelt over haar zoon die inmiddels drie basisscholen heeft gehad. Haar kind wil geaccepteerd worden, zij gehoord. Een moeilijk en pijnlijk proces voor alle betrokkenen, ook voor de scholen. Een school is verantwoordelijk een leerling binnenboord te houden. Mijn eerste vragen: wat maakt dat het niet lukte? Was er sprake van het ‘niet weten’? Door het ‘niet weten’ ontstaat achterdocht, dat voedt op haar beurt vooroordelen en handelen vanuit enkel eigen perceptie. Daarmee is de dialoog tussen ouders en school ten dode opgeschreven.

Een vierde kans, die vierde school, kan alleen slagen wanneer vanuit verbondenheid en met kennis van zaken wordt gehandeld.

Gelukkig zijn er ook positieve verhalen: van scholen met good practices, van rapporten tot organisaties die het kind als uitgangspunt nemen. Bewegingen die in gang gezet worden om leerlingen en hun ouders goed te informeren en te ondersteunen in de keuzes die gemaakt worden.In mijn dagelijkse onderwijspraktijk voel ik echter dat mijn zevenmijlslaarzen niet groot genoeg zijn voor de stappen die voor de invoering van passend onderwijs gemaakt worden. Grote angst hangt als een sluier om deze wet: een fixatie op toetsen, een fixatie op de Onderwijsinspectie, een mogelijke afrekencultuur, de nieuwe verdeling van de gelden, de bedreigde autonome positie en emancipatie van de leraar.

Voor gedragen onderwijs, of welke naam er ook aan gegeven wordt, is een leerrijke omgeving nodig waarin ieder kind, iedere leraar en elke ouder zichzelf kan en mag zijn; waar iedereen zich gehoord en gezien voelt. Waarbinnen ieders (leer)proces centraal staat.

offline_Over_uitsluiten_gesproken_3.2_J_rgen_Caris-2De tweede moeder die in het artikel wordt opgevoerd vat in een voorbeeld uit de praktijk mooi dat (leer)proces samen: ‘Ter plaatse valt mijn zoon als een blok voor het technieklokaal en de natuurkundedocent die zijn eigen lesmethode ontwikkelde.‘ Is het een ‘samen weten’ dat deze docent het verschil maakt?

Het is belangrijk dat leerlingen, en ook ouders, die docenten/leraren vinden!

apprenticeship
Als een talent op zoek naar zijn master. Binnen het ‘samen weten’ zijn de drijfveren van de leraar van belang! Het onderzoek kan van start gaan: wat is de mens- en onderwijsvisie van degene die voor de klas staat? Wat maakt dat voor het onderwijs is gekozen? Wat zijn diens idealen en wat wordt voorleeft?

Van daaruit samen leren: leerling van leraar en leraar van leerling. Een authentieke leraar die de authenticiteit van het kind doorziet. Het vaststaande los durven laten om het ‘niet weten’ en ‘het weten’ in twijfel te trekken ten diensten van de ontwikkeling van het kind en zichzelf. Waar zowel groei als bloei mag zijn. Elkaar spiegelen. Op zoek naar ‘samen weten’.

Om die leerrijke omgeving te scheppen, zou ik graag in gesprek willen gaan met leerlingen, leraren en ouders. Over hoe samen persoonlijke aandacht vorm te geven. Wanneer er ruimte is voor groei? Hoe je op basis van (zelf)kennis een duurzame samenwerking legitimeert en creëert met het kind? Welke rol de leraar, ouders en eventueel externe partners hierin hebben? Mag het kind, de leerling, hierin leidend zijn? Durven volwassenen te volgen?

Wellicht weet het kind al een hoop antwoorden te geven.

Ook gesprekken met schooldirecties kunnen door dit soort gesprekken (nog) leerrijker omgevingen scheppen. Ze zijn er al, scholen waar kinderen zich welkom voelen. Door bijvoorbeeld zeer ferquent open en meeloopdagen te organiseren. Waar ouders, leraren en kinderen hand-in-hand op weg gaan. Waar leraren ouders de ruimte bieden om, los van voor- en veroordelingen, vragen te stellen. Vragen over het anders organiseren van bijvoorbeeld grotere klassen, de pedagogische uitgangspunten en bovenal hoe iedereen daarin een rol kan spelen.

Ook dat ‘samen weten’ zal het ‘niet weten’ doen verstommen.
Samenkracht als statement!

En deze vorm van ‘weten’ voedt mijn drive en passie voor onderwijs en opvoeding. Samen op weg naar mooi, open en gedragen onderwijs. De toekomst is nu, dus laten we beginnen met afbreken door te bouwen!

Goed als Trouw ook daarover een vervolgstuk schrijft…

Over uitsluiten gesproken #2: ‘een dikke middelvinger naar…’

‘Hij heeft autisme, dus dat kan hij niet!’ Het was het eerste dat ik hoorde toen ik mijn toenmalige adjunct-directeur, tevens leerlingbegeleider, vroeg of één van mijn derdejaarsleerlingen stage mocht lopen bij een kinderdagverblijf.

Wáaaaat!? We hadden het toch over Joey, een enthousiaste en goedaardige jongen die na zijn vmbo-periode heel graag naar de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) zou willen.

Ik stond perplex, mijn mond viel wagenwijd open. Een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een wens van een leerling en nul perspectief? Waar was ik in beland? In een oerwoud, zo bleek later, waarin percepties van de doelgroep echt niet strookten met de mogelijkheden, talenten en ontwikkelingen die ik als leraar bij veel leerlingen zag. Vanuit het denken volgens het medisch model werden benaderingswijzen geïmplementeerd, naar de leraren – laat staan leerlingen – werd niet of nauwelijks geluisterd.

Later – verderop in mijn loopbaan – bleek deze school in haar aanpak niet op zichzelf te staan. Eén van de klasgenoten van Joey, Mirabel, had zich ingeschreven voor de Politieacademie. Daar werd ze niet aangenomen. Een maand of twee werkte ik met haar en ik herinner me nog goed dat ik haar handelingsplan las. Daarin stond wat knullig beschreven dat zij zeer onbeschoft kon zijn naar de leerkracht.  Ik proestte een net genomen slok water uit en de geconcentreerde, stille werksfeer maakte plaats voor een schaterlach.

Mirabel zat vlak voor me en schrok van het onverwachte geluid. Op de vraag of zij haar handelingsplan al eens gelezen had, volgde een ‘nee’ en verwachtingsvol keek ze me aan. Ik vertelde wat er op papier stond geschreven en vroeg of zij zichzelf erin herkende. Nu volgde een resolute ‘NEE!’ Terecht! Als er iemand sterk, stoer en rechtvaardig zou zijn, was zij het wel.
Mirabel won ooit een debatwedstrijd in het Provinciehuis. Dus ja, een mening en argumenten had ze zeker. Heerlijke discussies leverde dat op. De lessen werden er levendig van. Ik begrijp het wel. Als je geen weerwoord als leraar duldt, dan heb je een moeilijke aan haar… Nee, voor mij was ze een voorbeeld voor andere leerlingen en lag ze zelfs goed in de groep. Onbeschoft? Mag je misschien als puber nog onbezonnen zijn? Wat beeldvorming en eigen (voor)oordelen al niet kunnen doen.

Bovenstaande ervaringen dateren alweer van zes jaar terug.. En toch raakt het me nog steeds. De lach zit er, maar ook de frustratie én de boosheid. Je zou zeggen dat er in de tussenliggende periode toch wel wat veranderd  zou moeten zijn. Bovendien, vanaf 2004 zijn we in onderwijsland bezig om passend onderwijs te introduceren. Maar niets is minder waar. Recent heeft de ‘weigerschool’ haar opwachting gemaakt. Het beestje heeft een naam gekregen. En het begrip is langzaam ingeburgerd. Ontwikkelingen die volgens mij alleen maar verliezers zal opleveren. Sterker, door dit soort berichten wordt het bouwen van bruggen alleen maar lastiger. Het voedt de beeldvorming en het stigma dat bepaalde scholen en bepaalde mensen niet deugen!

Voor de duidelijkheid:  het recht op onderwijs mag een mens niet worden ontnomen, dat lijkt me volstrekt helder! Toch? Maar hoe worden leerlingen met andere onderwijsbehoeften verder gebracht? Hoe doen zij binnen en buiten scholen kennis en praktijkervaring op?

De ‘standaard’-informatie volstaat niet meer. We worden uitgenodigd om te kijken én te handelen buiten de kaders. Zonder kaders zou trouwens alles mogelijk zijn. Dan zou een schoolleider, een politiefunctionaris of zelfs een directeur ‘je bent niet welkom’of ‘dat kan jij niet’ niet eens verzinnen!

Hoe ver strekt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van scholen?

In het Eindhovens Dagblad las ik een artikel. Het begint met een vraag: Hoe ver strekt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van scholen? Ik denk heel ver én ook weer niet. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Van de leerling, de ouders en de leerkrachten die onderdeel zijn van een schoolgemeenschap en daarmee deel van de samenleving zijn.

We hebben in Nederland een systeem bedacht waarbij kinderen relatief vaak en lang op school zijn. Dat betekent ook meer ‘opvoedtijd’. Tijd om samen (leerling – leerkracht) af te stemmen en te onderzoeken wat nodig om alle (kern)doelen te halen, juist als je anders dan ‘standaard’ leert! Soms is een klein hulpmiddel al voldoende, een andere of volgende keer vergt het (veel) meer tijd. Ben je als onderwijsinstelling ook niet verantwoordelijk voor het welzijn en het leren van ieder kind?

Hoe kan de verantwoordelijkheid worden verdeeld?

Het start vanaf het moment dat leerlingen een stem krijgen, ouders participeren binnen een school (ja, dat is investeren en inherent met het aangaan van het ouderschap) en het beleid opgesteld en gevoerd wordt dóór en mét leerkrachten, plus de leiding van een school. Dat vraagt om een andere mindset van alle betrokkenen. Een maatschappelijke bewustwording. Een sense of urgence. Alleen dan kan een verandering ook duurzaam worden.

School draagt maatschappelijke doelen. Maar langzaam maar zeker begint het bij meer mensen door te dringen dat een standaard curriculum daarvoor niet ideaal is, zeker niet voor iedereen. In het woord maatschappelijk staat het begrip ‘maatschap’. Laat dat nu – los van geld –  staan voor ‘een samenwerkingsverband waarin ieder naar eigen aandeel participeert, ‘inkomsten’ worden verdeeld en waarbij middels verbinding iets in gemeenschap gebracht wordt.

Het ‘samenwerken’ lijkt me duidelijk.  Het ‘verband’ bestaat uit leerling, diens ouders, leerkracht, school en eventueel externe partijen. Dat binnen een samenwerking ieder een ‘eigen aandeel’ heeft is eigenlijk ook wel logisch, al vraag ik me soms af of iedereen ook een gezamenlijk doel heeft!? En zo ja, of de doelen voor iedereen helder zijn geformuleerd en van gelijke waarde zijn. Misschien spelen er wel dubbele belangen?

Een ‘eigen aandeel’ kan ook worden gelezen als een eigen professie, met alle verantwoordelijkheden van dien. Of eigen talenten die er altijd zijn en mogen worden ingezet. Een ‘samenwerkingsverband’ is  immers gebaat bij vertrouwen en openheid. Dat voedt de verbinding! Ik heb dat in mijn klas, maar ook in de contacten met anderen en op andere scholen mogen ervaren! Mis je een schakel ,dan houdt het op. Dan krijg je iets van een kaartenhuis.

Het is dus van belang dat er regelmatig wordt afgestemd. En nee, dat hoeft echt niet met ellenlange bijeenkomsten, zeker niet in het digitale tijdperk!

Als ‘inkomsten’ gezien worden als opbrengsten – populair beleidswoord – gerelateerd aan de ontwikkeling die een leerling doormaakt, wat is daar dan voor nodig?  Meer tijd voor luisteren? Afstemmen? Hulp bieden? Een omgeving aanpassen?

Maar wat deel je dan?  ‘What’s in it for me’ houdt veel  samenwerking tegen, hoor ik om mij heen.

Niemand is hetzelfde. Ik leer iedere dag opnieuw van mijn leerlingen. Dat maakt mijn beroep voor mij zo interessant en te gek: van elkaar leren en op een creatieve wijze in een flexibele dynamiek nieuwe (hulp)middelen ontwikkelen. Nee, daar krijg ik geen tijd en geld voor. Ik doe het  omdat dit voor mij ver-DELEN is!

Ik hoop oprecht dat de (term) ‘weigerschool’ snel verdwijnt, net als het stigma op kinderen die anders leren, andere behoeften en ervaringen hebben. Ik gun het alle leerkrachten om de uitdaging aan te gaan het mooie in leerlingen aan hen terug te geven. Daarmee brengen we ze verder, in hun totaliteit, als mens, binnen de gemeenschap, en de samenleving!

Laten we genieten van  de leerlingen die ‘ik kan het wel’ leven. Als ik – zes jaar na dato – hoor dat Maribel werkgevers voor het uitkiezen heeft, verbaast mij dit niets! In de korte tijd dat ik het vehikel heb mogen zijn in haar ontwikkeling viel alles op zijn plek. Ondanks momenten waarop er zand tussen de onderdelen van het ‘samenwerkingsverband’ kwam.

Als onervaren leerkracht voelde ik dat Maribel compleet vastliep, wetende dat het niet aan haar capaciteiten lag. Als je dan uiteindelijk samen op het punt kan komen, waarop het kind – in dit geval Maribel  – de regie  overneemt en gaat vechten voor haar ‘ik-kan-het-wel’, dan is dat onbetaalbaar!

Maribel heeft bij mij het zaadje van ‘vertrouwen’ doen ontluiken. En misschien is ze in die periode wel een klein beetje onbeschoft geweest. Dan stak ze inderdaad een dikke middelvinger op! Niet naar mij trouwens…



Het is heel interessant om dingen eindelijk te begrijpen
(zoals die lach met vervolgens de vraag of ik mijn dossier
wel eens had gelezen) en waarom er dingen worden
gedaan voor mij en andere leerlingen die je als puber/
leerling niet snap of niet wil zien.‘ – Maribel


Lucas, Willem en Lizzie leren me het speelveld te verruimen

‘Je bent nutteloos. Ga maar tussen de jassen hangen, op de gang!’ De 11-jarige Franse jongen tegen wie dit gezegd werd, nam de woorden iets te letterlijk zie de gevolgen. Wat drijft een leerkracht om dit tegen een leerling te zeggen? In hoeveel tijd verbreek je de verbinding met het kind? Waar ligt de pedagogische en de morele verantwoordelijkheid van een leerkracht? Hoe hoog mag frustratie en onmacht oplopen? Wanneer heb je jezelf nog onder controle?

Er is een kind overleden en het debat gaat over ‘verplichte bewaking’? Wat maakt dat veel beslissingen op beheersmatig niveau gemaakt worden? We weten het niet meer, het gaat mis, goed mis. Dus gaan we verder met inkaderen. Is dat het (vaste) recept? Zorgen deze regels niet juist voor het af- en doorschuiven van verantwoordelijkheden? En hoe verhoudt zich dit tot het begrip vertrouwen, om maar te zwijgen van ieders innerlijk kompas?

Als leerkracht heb ik een pedagogische taak, maar niet altijd het antwoord op (morele) situaties! Ik heb de verantwoordelijkheid om mijn eigen handelen, zowel emotioneel als rationeel, te begrijpen en te reflecteren. Mijn handelen vindt plaats op een dunne lijn van verwachtingen, van mezelf en van mijn omgeving, de ander. En ik heb te maken met mijn eigen biografie, mijn eigen perceptie en met verwachtingen die – door de maatschappij, door de cultuur – impliciet en expliciet zijn opgelegd.

Het sturen van je eigen handelen en je emoties is met elkaar verbonden. Maar in hoeverre bepaal of maak jij bewust de keus, doe je wat je doet?

Ik herinner me Lucas. Als de dag van gisteren. Hij zat in mijn klas, het tweede jaar dat ik als leraar in het voortgezet speciaal onderwijs werkte. Ik leerde elke dag, maar Lucas niet. Hij had een Italiaanse achternaam en door zijn gedemotiveerde houding had ik mijn vooroordeel snel klaar. Waarom speelde zijn achtergrond voor mij een rol? Zocht ik een verklaarbare reden voor zijn gedrag. Met die zekerheid kon ik als beginnende leerkracht verder. Ik wilde namelijk één ding, niet falen!

Lucas. Als ik nu aan hem terugdenk, verschijnt er een brede glimlach op mijn gezicht. Eigenlijk is het zijn glimlach. Want ik irriteerde me mateloos aan zijn lachje. Waarom? Omdat hij mij door had en een beetje met mij speelde. Hij haalde het bloed onder mijn nagels vandaan. Ik stuurde hem altijd naar de Time-Out, dat was lekker makkelijk, dan had ik even rust. De dienstdoende functionaris stuurde hem vervolgens vaak snel weer terug. ‘Wat een koekert’, dacht ik dan. Lucas had blijkbaar de volgende ‘om zijn vinger gewonden’.

Dit verhaal gaat over die dag waarop ik Lucas voor de derde keer naar de Time-Out had gestuurd. De reden is niet blijven hangen, maar het gevolg wel. Hij moest naar de adjunct! Samen liepen we door de gang. Ik voorop. Achter me liep hij te zuigen, te lachen en ik kookte…

We moesten een klapdeur door. Altijd liet ik de ander voor. Deze keer besloot ik anders. In plaats van de deur open te houden, gaf ik juist een extra zetje. Lucas voelde blijkbaar iets aankomen, hij wist de deur te pareren. En net voordat we het kantoor van de adjunct binnenliepen, fluisterde hij zacht: “U bent echt boos, hè?”

Het was een keuze vanuit een aanname en een emotie die ik aan de ander toeschreef, die buiten mijzelf lag. Van verantwoordelijkheid en moreel besef was geen sprake meer. Het was deze jongen van amper 13, die me buiten mijn boekje liet gaan en me de grens liet ervaren. Met zijn opmerking ‘U bent echt boos, hè’ leidde hij me terug naar mezelf.

Had ik de situatie onder controle? Ik stuurde hem weg, interesseerde me niet waarom hij gedemotiveerd was, bouwde niet aan een relatie en bovenal, de ratio was uitgeschakeld en de emotie voerde de boventoon! Een belangrijk leermoment!

Deze ervaring heeft me gevormd, als professional, maar zeker ook als mens. Door de situatie te evalueren, kwam ik erachter dat ook waarden en normen onderdeel zijn van mijn handelen en ik die soms ter discussie mag stellen. Op zijn minst draag ik er verantwoordelijkheid voor.

‘Je bent nutteloos’, dat is een harde uitspraak, zo niet vernietigend. Het perspectief is verdwenen, het oordeel is geveld. En het probleem ligt bij de leerling. Van verwachting is geen sprake. Kansen tot herstel worden niet meer geboden. De verantwoordelijkheid – om het handelen te evalueren, als mens te (leren) vertrouwen op het innerlijk kompas en te bouwen op de relatie met de leerling – wordt niet langer gevoeld!

Wat nou geen mogelijkheden? Er is altijd een alternatief!

Te vaak schuiven we in het onderwijs ‘schuld’ af en missen we een relatie; met het kind, de context en met onszelf, als mens. De leerling én de leerkracht zijn onderdeel van een systeem, van hun omgeving.

Ik denk aan Willem, een oud-leerling die ruim een jaar geleden resoluut een ander pad verkoos. Ik had een zwak voor hem. Hij was anders. Een punker. En op zoek. ‘Wie ben ik, wat is mijn omgeving?’ Hij had al een groot aantal scholen versleten, woonde ook niet meer thuis…

Niemand kon hem raken. Ook ik niet. Ik behoorde tot het systeem. En erger nog, ik deed er aan mee. Er was voor Willem genoeg om tegenaan te schoppen. Bevestigde dat zijn houding? Zijn houdbaarheid? Als ik mijn verslagen terug lees over Willem, lees ik een weinig analytisch en feitelijke weergave van situaties zoals ik ze ervoer. De onmacht van ouders en school waren ook in mijn eigen observaties terug te vinden. Ik volgde braaf: Willem had of was het probleem!

Willem zwom ‘tegen de stroom in’. En op een zeker moment had hij er genoeg van. Hij kwam die dag ‘gewoon’ niet meer! Zoals hij zelf al voorspelde. Ik schrok, miste hem, de kleur die hij gaf aan de groep. Aan mij. De twijfel sloeg toe. Had ik er wel alles gedaan? Het mocht allemaal niet baten. Willem vertrok, liep ook weg van de groep waar hij woonde. Hij settelde zich in de skate community van Tilburg. Hij werd een coach, of beter gezegd een motivator voor jonge kinderen die hij leerde skaten. Hij wist ze te raken! Hij klapte bij iedere truc van zijn pupillen de handen stuk. Altijd positief! Zijn grote talent!

In zijn laatste brief schreef hij de woorden: “…ik ben toch maar iedereen tot last…” Hij voelde zich nutteloos. Was alles behalve! Velen zijn over zijn grens gegaan, weinige geïnteresseerd wat er binnen zijn grenzen afspeelde.

Verantwoordelijkheid nemen is soms ‘tegen de stroom in zwemmen’. Willem liet me het zien, of heeft het misschien wel bij me aangewakkerd. Hij nam mij mee in zijn wereld. Het betekende mijn grenzen verleggen, ofwel tijdelijk verschuiven. Hij leerde me het speelveld te verruimen. Ons contact bood nieuwe inzichten, over Willem, maar vooral ook over mezelf en over mijn relatie tot de ander!

Betekent het dat ik leerlingen hun gang laat gaan? Alleen maar moet volgen? Of word ik uitgenodigd juist streng en rechtvaardig op te treden! Natuurlijk niet. Geen van beide én allebei. Het is mijn leerproces om deze zaken met elkaar te verbinden. In relatie zijn en tegelijk autonomie leren ontwikkelen. Het een kan niet zonder het ander.

Het beroep als leerkracht is fragiel en kwetsbaar. Mijn handelen ligt onder een vergrootglas. Ik doe constant een beroep op wat mij drijft, mijn innerlijk en morele kompas. Mijn grootste uitdaging is om leermeester van mezelf te zijn, jezelf te mogen zijn en dat uitdragen naar de leerlingen voor me. Op hun beurt zijn zij leermeesters van zichzelf en voor mij.

De angst om te falen overheerst soms, die me van mezelf (en mijn omgeving) ontkoppelt. Een leerling naar de gang sturen, naar een andere klas of naar de Time-out. En zo vaak keert dezelfde leerling terug zonder terugkoppeling, zonder gesprek, zonder een schouderklop, een aai over de bol. Waar is die vraag: ‘Hoe kan ik je verder helpen, zodat je het straks zelf kan oplossen?’

Toen Lizzie in de middenbouw van de basisschool haar diagnose kreeg, maakte ze een spandoek. ‘Ik heb autisme!’ verfde ze er met dikke letters op. Ze zette een vuilcontainer aan de straatkant, ging er bovenop staan en riep: “Ik ben gehandicapt!” Er was geoordeeld, ze moest weg van de reguliere school, ontkoppeling tot gevolg.

Uitsluiten – of ontkoppelen – doet iets met me. Als mens. Met mijn zelfbeeld. Met het beeld dat ik meeneem en meedraag naar de toekomst. Het is een dunne lijn die ik niet meer wil overschrijden.

Het blijft gissen naar wat er in het hoofd van de 11-jarige jongen in Frankrijk om ging. Wat overblijft is het verdriet en beschadigde mensen met vragen; het gezin, vrienden, familie, de leerkracht, klasgenoten, de school, de wijk, de samenleving…

Ooit, in een open gesprek met Lizzie – toen ze weer wat rustiger was – gaf zij aan dat haar hoofd aanvoelde als een ballon. Zo voelde de druk in haar hoofd! Op dat moment, maar ook al die andere keren wanneer zij zich verdrietig, gefrustreerd, boos en afgewezen voelde. Het enige dat ik vroeg: “Wat kan ik doen om jou dan te helpen?”

“Een beetje lucht uit het tuutje laten,” antwoordde zij. Luisteren was op dat moment voldoende. En op weg waren we. Samen. Soms prikken, soms piepen, soms snel lucht eruit, soms buiten en loslaten en soms ‘gewoon’ even niets…

Het is mijn verantwoordelijkheid als leerkracht – en mijn morele plicht – om de leerlingen die ik voor me heb te laten zijn wie ze zijn, met alles wat er is; om het beste in zichzelf naar boven te halen; om ze te leren hoe verantwoordelijkheid daarin positief bijdraagt.

Maar het is het allerbelangrijkste dat ik zie dat ikzelf een onmisbare schakel voor ze ben. Mijn reflectie op mijn handelen te delen, met hen in gesprek te blijven; de keuzes die ik maak te beargumenteren; inzicht te geven in mij als persoon en vooral te kunnen vertellen en te laten zien waarom ik de dingen doe die ik doe.

Het doet AUW-dit!

Net over de helft van de eerste week – zonder leerlingen – en de afgelopen twee dagen al weer vroeg naar bed. Leeg. Op. Geen energie om iets te doen. De alarmbel ging af en een gesprek met de locatiemanager waarin ik duidelijk mijn grenzen aangaf, volgde. “Dat past toch helemaal niet bij jouw karakter?” vroeg zij. Klopt! Ik zet namelijk graag een stap verder, verleg liefst elke dag mijn grenzen. En toch is het ook voor mij soms goed om het speelveld even opnieuw te kaderen. Om de ‘grijze gebieden’ te benoemen!

Ik wil doen wat werkt! Doen waar ik goed in ben. Samen met mijn leerlingen bouwen aan goed onderwijs. Ik heb doelen gesteld – bijvoorbeeld dit jaar drie leerlingen klaarstomen voor regulier onderwijs – en wensen, gebaseerd op een aantal mooie voorbeelden hoe onderwijs ook kan zijn.

De start
De week begon gezamenlijk. Met de collega’s van de drie locaties luisterden we naar één van de locatiemanagers. Na een kort welkomstwoord kwam de focus eigenlijk direct op de inkorting van de vakantie en de aankomende interne audit in januari 2014 te liggen. Volgend schooljaar geen ‘extra’ week vakantie, maar direct starten met lessen! En ook de audit waar veel belang aan wordt gehecht i.v.m. het samenwerkingsverband m.b.t. passend onderwijs kreeg de nodige aandacht. Het bijzondere is dat het toezichtkader voor samenwerkingsverbanden los staat van de kwaliteit van scholen of de invoering van de zorgplicht volgensde inspectie.

Dus op het eerste oog is er niets mis mee. Een audit als ‘test’ om te kijken hoe het onderwijs en de ontwikkelingen er voor staan. De grote vraag voor mij op schoolniveau is en blijft wel, hoe een leerkracht bevoorraad dient te worden om vervolgens de leerling te kunnen bevoorwaarden!

De afgelopen dagen
De afgelopen dagen stonden in het teken van de verhuizing. De bouwvalheeft plaatsgemaakt voor een leuk schooltje uit de jaren tachtig. Een hele verbetering, dat mag duidelijk zijn! Dozen uitpakken, puinruimen en een klassenopstelling maken vulden samen met vergaderingen de beschikbare tijd.

Al na de eerste dag laaide een oude discussie op…

Het ‘MT’ liet weten dat mijn opstelling in de klas niet in carré mocht staan. Na eerdere gesprekkenmet mijn leerlingen, n.a.v. een verantwoordingvoor de Commissie van Begeleiding, bleef men zich verhalen op het protocol klassenmanagement. Want dat is inderdaad wat leerkrachten nodig hebben, toch? Regels, regels en nog eens regels vastgelegd in protocollen. Die zijn dan ook nog eens vaststaand en worden niet geëvalueerd. Top-down, u weet wel. Want professionals moeten toch aan de hand genomen worden? Waar zijn de waarden ‘vertrouwen’, ‘autonomie’ en ‘verantwoordelijkheid’?

Wat je al niet moet doen om als leerkracht een werkbare omgeving te creëren, voor jezelf maar bovenal voor je leerlingen…

Binnen de stichting, maar ook daarbuiten is de discussie over de professionele positie van de leerkracht in volle gang. Binnen de stichting wordt gesproken over persoonlijk leiderschap, “De professionals zullen in the lead komen”, zo stond in het ‘perspectiefstuk’ geschreven. En in Trouw las ik een artikel over het reflecterenvan de leerkracht. Ook het boek HetAlternatief, waar ik al een artikel over verantwoordelijkheid uit heb mogen lezen, is in aantocht!

Laat ik dan even als professional in the lead het protocol onder de loep nemen. En ja, dit is muggeziften op de mm, is dat bevoorraden? “…elke leerling een eigen, vaste werkplek in de klas heeft, waaraan hij zijn werk kan maken. De voorkeur gaat uit naar maximaal 2 leerlingen setjes naast elkaar.” Dus eigenlijk is en was al het werk en energie voor niets  (…de voorkeur gaat uit…!) Make up your mind, MT! Hoe verhoudt ‘persoonlijk leiderschap’ zich tot top-down protocollen?

Vandaag ook de tweede ‘vergadering’ van de week. Na bijna drie kwartier ‘notulen vaststellen’ van de eerste vergadering, wordt er gestart met de agenda. VERschrikkelijk! Een half uur discussiëren of er wel of geen kauwgom gegeten mag worden, twintig minuten over wel/niet het gebruik van telefoons, roosters die niet te maken zijn omdat het onduidelijk is welke vakleerkracht waar en op welk tijdstip aanwezig is. En zo ging het een tijdje door…

Duidelijk is dat er (nog steeds) geen eenduidige visie op voorraad ligt, auw!
Een klein voorbeeld rondom communicatie: de werkboeken van de 7 tot 10 jaar oude methoden moeten worden gekopieerd. De originelen zouden te veel gaan kosten, omdat deze als post niet was meegenomen in de begroting. Het zou trouwens niet eens bekostigd worden, omdat het VSO onder de wet PO valt. En niet kopiëren, maar overschrijven zou juist goed zijn voor de (schrijf)ontwikkeling! Ow, en een boete? Daar was een potje voor…auw!

Is dit bevoorraden?

Er worden zaken besproken of gecommuniceerd waar in ieder geval bij niemand het appél wordt gedaan op motivatie en inspiratie, laat staan het uitwerken van nieuwe, creatieve ideeën. Het ‘doen wat werkt’ zeg maar. Of mij als leerkracht bevoorraden, om uiteindelijk de leerlingen te kunnen bevoorwaarden. Geen duidelijke doelen bij agendapunten, geen antwoorden op vragen ‘waarom we de dingen doen die we doen’!?
Samen met collega’s wil ik hier juist aan bouwen! De ‘wereld’ laten zien wat we doen, waarom we dat doen en ook waarom het werkt wat we doen. De volgende stap zou een brug slaan zijn naar scholen binnen het samenwerkingsverband. Kruisbestuiven!

Bevoorwaarden
Terug naar het primaire proces, waar het draait om de ontwikkeling van leerlingen. In mijn context de ontwikkeling van leerlingen die anders leren. ‘Bevoorwaarden’ is een woord dat Edith van Montfort uitlegt als het koesteren van heterogeniteit als basis in haar blog ‘meerdracht maakt macht’. Het gaat over de leerkrachten en de diversiteit in de groep: “Ze anticiperen door variëteit in pedagogisch -, vakinhoudelijk – & didactisch handelingsrepertoire bijna natuurlijk op verschillen tussen lerenden om hen zo goed mogelijk in hun leren te bevoorwaarden. Ze maken deugdelijke verbindingen tussen talenten of denkvoorkeuren om ook samenwerkend leren te ontwikkelen.

Het lijkt me fantastisch om met de bovenstaande visie op reis te gaan samen met mijn leerlingen! Een mooie zoektocht naar talenten ‘ont-wikkelen’.  Maar ook een bijdrage leveren aan het overwinnen van de moeilijkheden die de leerlingen op hun pad zijn tegengekomen.

Wellicht opent het niet kopiëren wel kansen voor de leerlingen om samen te werken!?

Auw
En toch doet het ‘auw’ dit allemaal zo op te schrijven. Een halve week aan het werk en nog geen moment bezig met de pedagogische, vakinhoudelijke en didactische kant van het onderwijs. Heel voorzichtig gestart met een overzichtelijk jaarrooster, waarin ik graag leerlingen meer eigen regie en verantwoordelijkheid wil leren. Steeds is er dat ‘grijze gebied’ dat voor afleiding zorgt, voor chaos. Ad-hoc beslissingen en systemen die in stand gehouden worden.

Aan mij de taak als professional om zaken verder te brengen. Ik neem deze ruimte en autonomie, die volgens mij juist gekoesterd dient te worden. De ruimte om mijn onderwijsomgeving aan te passen aan de noden van de leerlingen.

Ik werk iedere dag, ieder lesuur met dezelfde leerlingen. Dat maakt dat ik zie wat nodig is en zoek naar ruimte om deze zaken uit te werken. Alleen maar boven de stof staan is niet voldoende! Ik wil graag opdrachten uitwerken waaraan ik vorig jaar, samen met mijn leerlingen, hard heb gewerkt.

Het doet ook ‘auw’ dit te delen. Maar ik deel het! Om het bovenstaande een plek te geven. Om te reflecteren. Om mijn pad en de weg naar de – oh zo – belangrijke interne audit woorden te geven. Om transparant te zijn over waar ik tegenaan loop. Om er van te leren, mezelf enerzijds te begrenzen en anderzijds grenzen te verleggen. Om te delen waar ik me echt over verwonder…


You can’t feel the heat until you hold your hand over the flame
You have to cross the line just to remember where it lays

You won’t know your worth now, son, until you take a hit

And you won’t find the beat until you lose yourself in it” – Rise Against

Buiten de lijntjes kleuren…

Voor de vakantie werd ik gebeld door Joëlle Poortvliet of ik mee wilde werken aan een thema-artikel over ‘onderwijs van de toekomst’ in Kader Primair (AVS). De uitspraak “Mijn doel is dat mijn beroep over 20 jaar niet meer bestaat” die ik deed tijdens ‘Festival of Solutions‘ triggerde haar.

Een leuk telefoongesprek volgde. Over hoe dat ik mijn doel wil bereiken en hoe dat er in de praktijk uit kan zien. Zij vatte ons gesprek samen:

“Vorig jaar heb ik een opleiding gedaan tot autismespecialist, maar eigenlijk ben je dan nog niks. Daarmee bedoel ik: iedere persoon is anders. Het gaat er om specialist te zijn van dat ene individu, samen een leerproces aangaan. Mijn missie is om vanuit de stem van de leerling het speciaal onderwijs zo op te rekken dat het op termijn niet meer nodig is. Buiten de lijntjes kleuren. We moeten kinderen de tools mee geven om te aarden in deze maatschappij. Dat zij zelf kunnen aangeven: dit ben ik, dit kan ik en dit zijn mijn talenten. Niet alleen de focus op het negatieve, op de labels.

Ik denk dat het overgrote deel van de so-leerkrachten is lamgeslagen door alle protocollen en regels. Ons onderwijs is heel strak vormgegeven. Neem de positionering in de klas. In het protocol voor klassenmanagement staat hoe je je leerlingen groepeert, maar voor mijn groep vond ik die opstelling op een bepaald moment niet werken en koos daarom voor een carré. Dat doe ik dan gewoon. En het werkte supergoed: de leerlingen kunnen elkaar aankijken, leren van elkaars mimiek en van de sociale interactie.

‘Mobieltjes’ is een ander voorbeeld. Officieel moeten die in de kluis, terwijl de devices van de leerlingen over het algemeen veel sneller zijn dan de drie computers in ons lokaal. De basis is vertrouwen. En als er dan iets mis gaat, is dat een uitgelezen kans voor een les over ethiek.

Ik ben wel een luis in de pels voor onze organisatie, denk ik. Maar ik doe niks sneaky en gooi alles in de teamvergaderingen. Voorheen had ik nog geen dikke huid, de kracht om ergens te blijven en ideeën door te drukken. Nu lukt dat beter en sta ik er ook positiever in, minder cynisch. Ik houd alle ontwikkelingen bij en haal veel inspiratie uit contacten met gelijkgestemden. Onderwijsmensen die door alle sectoren heen werken en elkaar zowel on- als offline weten te vinden. Wat voor mij werkt is met de luiken open de wereld in. Niet die tunnelvisie van vijf dagen op dezelfde plek focussen.

Zoals ik voor de groep sta, zou ik zelf ook een leidinggevende willen. Iemand die voedt, die coacht en afstemt. De samenwerking met onze voormalige locatieleider was wat dat betreft heel inspirerend. Zij kon me ook inkaderen: ‘Prima dat je een carré-opstelling wilt doen, maar zet de onderbouwing eerst op papier’. Dat deed ik natuurlijk niet meteen – mijn prioriteit ligt bij de leerlingen – maar ik snap wel waarom het voor de organisatie belangrijk is. Dat ‘spel’ speelde zij heel goed.”