Chagrijnig aan het kopieerapparaat

Chagrijnig aan het kopieerapparaat

Chagrijnig aan het kopieerapparaat

Als ik vrijdagmiddag bij het kopieerapparaat sta om ‘wat’ te kopiëren komt een collega aangelopen. Aan zijn loop en gezichtsuitdrukking zie ik dat hij iets wil zeggen. Tegelijkertijd voel ik dat ik geen tijd heb voor een praatje. Vanavond en ook in het weekend heb ik afspraken, dus moet ik alles voorbereiden voor maandag!

“Ik ben chagrijnig!”

Zonder dat ik er eigenlijk erg in heb hoor ik het mezelf zeggen en rollen de woorden vanuit het niets over mijn lippen naar buiten. Mijn collega kijkt me aan, zegt even niets en vervolgens pakt hij zijn printjes uit mijn stapel met kopieën. Blijkbaar zijn ze niet gesorteerd en ik voel me wat ongemakkelijk worden.

Raakt nu niet alles door elkaar? Ligt alles nog wel op volgorde? Je zult zien dat ik nog meer tijd kwijt ben. En ik wil straks naar huis. Genoeg te doen en geen zin om er van het weekend mee bezig te zijn.

“Waar ben je eigenlijk mee bezig?”

Pas later besef ik dat hij niet ingaat op wat ik zeg. Hij verwart me en ik voel weerstand opkomen. Ja, waar ben ik eigenlijk mee bezig? Kopieën aan het maken voor een leerling die niet eens bij mij in de klas zit. Waar ik dien te participeren in thuisonderwijs. Is dit eigenlijk wel mijn verantwoordelijkheid? Heb ik ‘ja’ gezegd tegen iets waar ik eigenlijk geen gegronde ‘JA!’ voor voel?

Als ik uitleg waar ik mee bezig ben, merk ik dat er een waterval volgt aan alles wat er van mij verwacht wordt. Zijn vraag dwingt me mezelf te uiten, al mijn gedachten te ordenen. Het voelt goed om alles voorbij te horen komen. Het helpt me als gevraagd wordt wat bij mij hoort. Waar ik verantwoordelijkheid voor dien te dragen. Dat is in eerste instantie de groep. De groep leerlingen die ik verder wil brengen dit jaar. Mijn taak, mijn verantwoordelijkheid. Voor hen wil ik alles tot in de puntjes uitgewerkt hebben.

Het besef voor hen te willen gaan betekent dat ik op dit moment iets fundamenteels fout doe. En deze fout schudt mij wakker. Ik merk dat de balans zoek is. Dat ik teveel doe waardoor het echte werk blijft liggen, ik het gevoel heb dat ik achter de feiten aan loop en dat maakt dat ik me chagrijnig voel.

Tijd om het anders te doen.
Maar hoe?

Aan mijn collega stel ik de wat ongemakkelijke vraag. Van mezelf moet ik namelijk zelf een antwoord hebben. Het is een simpele vraag, maar mijn collega heeft op een pijnpunt gedrukt. Ik wil het zelf kunnen. Wat hij doet is enkel doorvragen. Wat ik merk is dat ik voel dat ik teveel taken op me heb genomen. Ik hoor me denken: ‘En die leerling die thuis zit dan?’ Zorg voor de leerlingen heeft me uit de zorg voor mezelf getrokken. Wat ga ik met deze wetenschap doen?

De eerste stap die ik zet is om al mijn werkzaamheden in kaart te brengen. Mezelf meten en toetsen op wat ik doe. Hoeveel energie en tijd mij deze taken kosten. Zo kan ik legitimeren wat ik doe, waar grenzen ontstaan en waar ik over mijn grens ga.

kopie-quote-klAls ik weet waar ik over mijn grens ga, kan ik zelf al aangeven welke ondersteuning ik nodig heb om al mijn taken uit te kunnen voeren. Dat is de inhoud van het gesprek dat ik aanga met de leerlingenzorg op school.

Wanneer ik in gesprek ga is het belangrijk dat ik me enerzijds kwetsbaar opstel en anderzijds ervoor moet zorgen dat mijn vraag om ondersteuning niet wordt ondergesneeuwd door mijn valkuil. Wanneer ik duidelijk weet wat ik nodig heb, kan ik ook met redelijke zekerheid duidelijk maken wat er gebeurt wanneer ik niet ondersteund wordt. Het gaat dan namelijk altijd ten koste van een proces: van mij, de leerling, de groep en uiteindelijk het systeem binnen school.

Door deze duidelijke stappen voel ik dat ik de week kan afsluiten en met ruimte in mijn hoofd het weekend in kan gaan!

 

*Dit artikel is eerder gepubliceerd op de site van Leiderschap in Onderwijs.

About the Author

Leave a Reply