Ik lees nooit een boek

Ik lees nooit een boek

Ik lees nooit een boek

Als ik mensen vertel -of eigenlijk opbiecht, want zo voelt het regelmatig- dat ik nooit boeken lees kijken ze mij altijd wat verbaasd aan. Toch is het zo. Lezen leidt mij af van mijn denktijd. Althans, dat is het excuus dat ik gebruik.

Het was ver terug in de tijd dat het me maar moeilijk lukte om mezelf te motiveren te gaan lezen. Was de slaap me vaak voor en werd ik wat onhandig liggend wakker op een open boek. Lezen putte mij uit. Lang heb ik met de gedachte gespeeld dat ik niet kon lezen. Lezen maakt namelijk meer gedachten los over wat ik lees, dan dat mijn gedachten mij bij de tekst kunnen houden. Zelf geframed als ‘geen concentratie’ om te lezen wat gelezen wil worden.

Natuurlijk heb ik genoeg ‘gelezen’ en kennis genomen van (wetenschappelijke) theorieën, onderzoeken, analyses en over van wat men vindt dat werkt. En ja, ik lees slechts boeken die nauw samenhangen met het vak waarin ik werkzaam ben. Onderwijs. Want verhalen laat ik sowieso links liggen. Op een autobiografie na dan.

Hoe ik lees verschilt per boek, afhankelijk van wat ik wil weten en/of mijn gedachten het nodig hebben om iets te onderbouwen. Soms lees ik slechts een hoofdstuk, soms een boek van achter naar voren en soms schuin door het boek heen. Wat een belangrijke pijler is en bepaalt of ik überhaupt ga lezen is of ik perspectief kan nemen met de auteur.

Ik lees nooit een boek. Totdat een voor mij belangrijk docent tijdens mijn opleiding mij attendeerde dat ik ook een ‘pen in de hand’ kon nemen. Om mijn gedachten te ordenen en te verbinden met dat wat ik las. Tegenwoordig lees. Een gouden tip bleek, want sindsdien lukt het me om een deel van of het gehele boek te lezen. Zo ook deze week!

Op de deurmat valt ‘En wat als we nu eens gewoongingen lesgeven?’ Een kwaliteitsaanpak voor scholenprijkt onder de niets aan de verbeelding overlatende titel van het boek dat Eva Naaijkens en Martin Bootsma schreven. “… een boek vol troost voor leraren,” promoot Martin zijn boek op Twitter. Dat perspectief nemen met deze auteurs lukt mij bij hen goed. Sterker, het was een jaar eerder dat ik Eva op de Alan Turingschool ontmoette, zij hun in– en outsdeelde en vol trots hun school liet zien. Martin ontmoette ik ooit bij een Leraren-Met-Lef-bijeenkomst in Amsterdam waar we beide aan tafel zaten rondom het thema leiderschap. En volg de man al jaren op Twitter, waar we een soort van haat/liefde verhouding hebben. Liefde voor het onderwijs, het vakmanschap -of noem het meesterschap van de leerkracht. Echter is er ook wrijving als het gaat over het ‘hoe’, de weg er naartoe.

Met veel interesse heb ik beider processen gevolgd; van het ontstaan van de Alan Turingschool naar het schrijven van hun boek. En dat laatste heeft mij de afgelopen dagen in de greep gehouden. Op een positieve manier welteverstaan. Hun gehele boek heb ik van de eerste tot de laatste letter tot mij genomen. En, gedachten geordend met een potlood in mijn hand.

Ik lees nooit een boek. Deze wel! Omdat eigenlijk alles in het boek een feest der herkenning is. En eigenlijk start die herkenning al in de titel. Tijdens mijn jaren in het (voortgezet) speciaal onderwijs heb ik altijd de hoop gehad dat mijn leidinggevenden zich nu eens gewoonzouden focussen op de kerntaak van het onderwijs: lesgeven! Zij hadden het echter te druk met de vorm, je kunt als leerkracht in het voortgezet speciaal onderwijs namelijk niet vakinhoudelijke kwaliteit bieden als je alle vakken geeft. Dat gebeurt. Mijns inziens op basis van medisch model denken. Die kwaliteit kun je wel bieden, of zoals Eva en Martin dat beschrijven, door expert-leraren (Hattie, Leren zichtbaar maken, 2013) ruimte geven, laten ontwikkelen en inzetten. Alleen dan gebeurt er iets: dan zou er ook veel onbenut potentieel van leerlingen zichtbaar worden. En misschien zijn leerlingen tot meer in staat, en dan ‘te goed’ voor het vso!?

Een feest der herkenning, want Eva en Martin zijn ook helder over de werkdruk en -wat tegenwoordig langzamerhand een jeuktermwordt- eigenaarschap van de leerkracht. Nou ja, eigenaarschap van het gehele team. Ieder vanuit zijn/haar eigen rol, maar wel vanuit dezelfde consistentie. Van schrappen van onzintijd, zoals nietszeggende en altijd rond hetzelfde thema hangende vergaderingen, tot het constructief verdelen taken en rollen. Op basis van verantwoordelijkheden in plaats van harde uren.

Een feest der herkenning. Sinds dit schooljaar ben ik gestart op een reguliere basisschool. Het ondersteuningsteam van een Jenaplanschool mag ik versterken. Een school met een grotendeels nieuw team, dat zo zijn redenen heeft. Waarbij de beschreven valkuil (p.157) ‘kies niet te veel verschillende knelpunten’ wel één van de zaken bleek waarop mensen stukliepen. Zo gezegd. Maar ook communicatie (p.126&143), wat Eva en Martin als ‘belangrijkste sleutel tot deskundig leiderschap’ beschrijven, was schijnbaar ook wel een dingetje. Op vele scholen is dit wel een dingetje trouwens. Zuiver communiceren, juist als het een doel nastreeft, is moeilijk en lastig. Liggen vele valkuilen op de loer. Toch ben ik het met hen eens dat dit de belangrijkste sleutel is. Eva en Martin gebruiken krachttermen als beïnvloedenen overtuigingskrachtin hun boek waar mijns inziens onderbouwd inspirerenzou volstaan.

Eva en Martin hebben het boek heel praktisch hebben opgezet en is te op te delen in ‘wat’ je dient te doen om een kwaliteitsslag te maken. Daarin nemen zij belangrijke bronnen in mee. Van Hattie en het benoemen van Biesta tot Hirsh en Lemov. Verbindingen die juist de kwaliteit niet bijten maar versterkt.

Het meest enthousiast ben ik over dat dit boek leest als een trein. In sneltreinvaart wordt onderwijs tot op de kern uitgekleed. Met een keep it simple-attitude de prullenbak leeggooien, hergebruiken wat écht van belang is en van de rest afscheid nemen. De snelheid van het lezen van het boek levert tijd op om direct aan de slag te gaan. Wat er is al veel voorwerk gedaan. In iedere school. Het is een soort ‘nieuwdenken’ (als zouden ze zelf deze term mogelijk verafschuwen) waarbij het ‘oud’ wordt meegenomen als het de kwaliteit van het onderwijs doelmatig ondersteunt en bijdraagt aan het maken van een kwaliteitsslag. Vergaderingen eruit, kwaliteitskaarten erin. Kwaliteitskaarten die met het team tot stand komen, geëvalueerd worden en waar een proceseigenaar -vaak een expertleerkracht- de verantwoordelijkheid draagt. Protocollen de prullenbak in en ambitiekaarten ontwikkelen. Ambitiekaarten die een uitwerking zijn van verschillende doelen op verschillende doelen op beleidsterreinen. Flexibel als nieuwdenken, vaststaand oud en definitief de prullenbak in.

Oude wijn in nieuwe zakken? Nee! Althans, ik lees het boek niet zo. Mijn enthousiasme krijgt een less is more-vervolg. Want het uitkleden van een onderwijsorganisatie vraagt lef. Slechts doen wat je als school staat te doen vraagt ergens tegen de stroom in zwemmen. Het bekrachtigt mij in het idee dat het uitnodigen van de inspecteur voorafgaand aan een bezoek zin heeft. (En ja, juist nu in een tijd met dat nieuwe kader.) Omdat de school en inspectie een gezamenlijk doel hebben. Omdat beide bol staan van expertise. Omdat het tot op de kern analyseren wat er speelt, waarom het speelt en hoe de kwaliteit versterkt kan worden alleen maar zichtbaar maakt wat er nodig is.

Eva, Martin, mijn dank aan jullie!

About the Author

Leave a Reply