Observeren, observeren, observeren

Observeren, observeren, observeren

Observeren, observeren, observeren

Met een kruk op wieltjes rol ik door groep 2. De meeste kinderen zijn taakgericht aan het werk. Soms help ik wat. Soms zet ik wat aan. Soms zorg ik voor de gevraagde bevestiging. En soms duw ik een kind over een figuurlijke drempel. Meer dan bijsturen en bewust maken is eigenlijk niet nodig. Nou ja, genieten dan. Oké, dat wel.

Als ik mij omdraai zie ik Ridley Karim een duw geven. Niet een harde, maar wel hard genoeg om Karim te doen verwonderen. “Dat mag niet,” wordt gezegd en Karim speelt verder. Wanneer dit voor Ridley niet genoeg is duwt hij nog een keer. Iets harder deze keer. Karim kijkt hem boos aan en herhaalt zijn eerdere woorden. Nu een stuk harder. Direct zie ik Ridley op zijn knieën terugdeinzen.

Samen zijn zij aan het spelen op de speelmat. Een bak met dieren trokken ze even daarvoor leeg. De dieren worden verspreid over de mat. Karim ordent. Ridley wil vrij spelen. Dieren pakken wanneer het hem uitkomt.

Het afstand nemen doet Ridley niet voor niets. Mogelijk draagt de blik in de ogen van Karim er aan bij. Het strikte aangeven van wat niet mag maakt indruk. Naar de werkelijke reden blijft het gissen. Is het de angst voor de onvoorspelbaarheid van Karim? Is het zijn geweten dat zegt dat een duw geen handige keus is om zijn grens aan te geven? Worstelt hij met het op de juiste manier communiceren van waar hij eigenlijk naar verlangt? Of is het toch iets anders?

Mijn afstand tot hen is ondanks die twee meter groot genoeg om niet opgemerkt te worden. Een schouwspel ontvouwt zich.

Het frustreert zichtbaar dat Karim ondanks zijn porren eigenlijk niet in beweging komt. Ook het roepen van Karim is blijkbaar niet volgens verwachting. Ridley roept over het volume van Karim dat Karim nooit meer bij hem thuis mag komen spelen! In de hoop dat dit Karim kwetst doet Ridley een uiterste, laatste en emotionele poging. Want niets van wat hij roept lijkt hij te menen. Hij probeert overtuigingskracht achter de woorden te zetten maar in elke vezel voelt hij dat dit eigenlijk niet is wat hij wil. Hij zou het zo graag anders willen zeggen. Datgene zeggen waarmee Karim over zijn grens is gegaan.

Bij Karim bereikt de verwondering het hoogtepunt. De woorden van Ridley raken hem ergens. Niet op de inhoud. Hij is eerder flabbergasted. Dat wordt duidelijk in zijn statement: “omdat jij mij duwt en ik niet weet waarom!?” Tot twee keer toe herhaalt hij deze zin en zijn gezicht verandert van een boze blik in die van verbazing. Het statement als hoop de situatie baas te worden.

Door het ‘niet weten’ en vooral het niet begrijpen van Karim volgen de verlossende woorden van Ridley. Eindelijk ontstaat er de ruimte om te kunnen zeggen wat hij al eerder zo graag had willen zeggen. De woorden rollen uit zijn mond: “omdat jij mij uitlacht!” De opluchting tekent zich op zijn gezicht af.

En natuurlijk is het projectie! Duidelijk. Natuurlijk zou het zo mooi zijn als hij het gevoel bij zichzelf zou kunnen houden. Dat hij, net als wij volwassenen, direct zou kunnen aangeven waar hij last van heeft. En bovenal: wat het met hem doet! Want wij weten dat wanneer je dit doet, het dicht bij jezelf blijven, dat de ander daar nooit iets tegenin kan brengen. Het is ons, zijn, mijn gevoel! En sterker: de ander kan zelfs de ruimte voelen om compassie te tonen. Want die ontstaat dan. Als vanzelf. Zelfs veiligheid kan hier niet tegenop. Die is er al.

De blik van verbazing verandert in verbijstering. ‘Uitlachen!? Ik!?’ lijkt hij te willen zeggen. Maar zo geordend als hij eerder de dieren voorzag van een plek, zo scherp is hij nu. “De leeuw lachte!” Een duidelijke verklaring van hoe Karim de situatie en het spel heeft beleefd volgt. Over een ontsnapte leeuw. Die achter de beer van Ridley aanging. En de beer te pakken kreeg. Een duidelijke verklaring over hoe hij zijn waarheid heeft geconstrueerd. Heeft ervaren. En heeft beleefd.

De zichtbaar opgeluchte Ridley lijkt een moment in zijn schaamte te schieten. Lijkt de metafoor van zijn beer op de weg te voelen. Achterna gezeten door een leeuw. Zijn angst om uitgelachen te worden. Zijn thema. In ieder geval voor nu. Tegelijkertijd laat hij direct zien hoe flexibel en speels hij kan omgaan met de ontstane situatie. Met de eenzijdige strijd. Met het besef dat de beer ook van zich af mag bijten. Alleen ligt zijn uitdaging in het ‘hoe’. De manier, of zijn manier, waarop. En dat, dat hoeft hij gelukkig niet alleen te doen. Zijn er de opvoeders om hem heen die hem het goede voorbeeld kunnen geven. Die dit, het vreedzaam communiceren en eigen grenzen aangeven, voorleven.

En ik, ik mag genieten van dat wat zich voor mij afspeelt. In nog geen vijf minuten tijd ontvouwt zich een prachtig schouwspel waarin vrienden elkaar opnieuw ontmoeten. Waar zo zichtbaar wordt dat de een de ander nodig heeft. En andersom. Om samen te leren. Te groeien. Te ontwikkelen.

Wat nu als ik bij de eerste duw direct had ingegrepen?

Observeren is wellicht een van de lastigste opdrachten voor ons als opvoeder. Als mens. Observeren om het grotere geheel te kunnen begrijpen. Begrijpen om begrepen te worden, zei ooit een wijs iemand. Observeren om het zekere weten in twijfel te trekken. Om ruimte te creëren voor groei en ontwikkeling.

Maar wat vraagt het om kinderen een optimale kans te geven om zich te ontwikkelen?

Het vraagt het loslaten van controle. Controle in welke vorm dan ook. De controle van onze eigen verwachting, de verwachting van dat wat er mogelijk zou kunnen gebeuren!? De verwachting van welk gedrag we willen zien. Zien om dat wat zou kunnen gebeuren te reduceren tot een maximale veiligheid.

Het vraagt om intuïtief en on the spot ‘te weten’ hoe te handelen. Te voelen wat een situatie nodig heeft. Wanneer je wel ingrijpt en wanneer je wacht met de interventie. Telkens met de vraag welke pedagogische waarde de interventie beide kinderen, en ons als opvoeder, verder gaat brengen. Wetende wat de interventie voor beide kinderen, of de gehele groep, uiteindelijk oplevert.

Het vraagt vertrouwen. Vertrouwen op het probleemoplossend vermogen van kinderen. Het onderschatten vermijden. Het bijstellen van overschatting. Altijd de lat daar leggen waardoor je weet dat het dit kind op dit moment uitdaagt zelf in beweging te komen. Inzicht krijgen in zijn/haar eigen proces. Zijn/haar ontwikkeling.

En het vraagt uiteraard het werkelijk zien van het kind. Je hoeft in theorie een kind niet eens te kennen om het te zien. Zien vraagt namelijk ook luisteren naar wat de situatie nodig heeft. Af te stemmen – en ja, zelfs energetisch – op de situatie. Observeren, observeren, observeren!

Maar doe je dan nog wel iets tijdens dat observeren? Jazeker! Oefenen. En dat oefenen, kan ik je vertellen uit eigen ervaring, is lastiger dan je ‘denkt’. Het is doen. Twijfelen. Nog meer doen. Reflecteren. Bijstellen. En leren van iedere situatie die zich voordoet. Gewaarzijn. Beschikbaar zijn. En de motivatie hebben om van iedere situatie iets te willen leren.

Dus dat observeren, dat is best hard werken!

About the Author

Leave a Reply