Perceptie op straf

Perceptie op straf

Perceptie op straf

Mijn vouwfiets zet ik op slot in de personeelsstalling en ik loop in de richting van de zijingang van de school. Wanneer je de deur opent kom je in een lange, smalle hal die aan weerszijden vol staat met kluisjes. Deze ingang grenst ook aan lokaal 000. Zo’n vet nummer! Vind ik. Lokaal nul. Niet zomaar één nul, nee drie. Op een rij.

Als ik de school binnenstap en de hal betreed zie ik rechts in mijn ooghoek een leerling zitten. In een split second maak ik in gedachten een shift naar dat wat ik eerder meemaakte. Pijn van op de scholen waar ik ooit werkte. Terug naar het verleden en herbeleven. Herbeleven van alle -negatieve- situaties waarop een leerling uiteindelijk op de gang belandde. Naar de gang werd gesleept. Het kind werd buitengesloten. Soms onder de noemer time-out. En het regelmatig stroeve herstel met de ander. Doordat de focus op het gevolg lag en in een uitzonderlijk geval op de aanleiding. Een bovenal weinig constructieve wijze om kindermensen te leren ontwikkelen.

Mijn perceptie.
Voor een fractie van een seconde.

Tegelijkertijd met de gedachte kijk ik goed. Wil ik deze situatie opnieuw zien en ontmoeten. Op nul starten. Nulnulnul. En dat, dat ‘op nul starten’ lukt me gelukkig steeds beter. Het scheelt dat oefenen en spelen met wat werkelijk is alleen maar energie oplevert! Maakt dat ik signalen scherper interpreteer. Een jongen. Voorovergebogen. Actief. Een pen in zijn hand. Op zijn blaadje een notenbalk. Muzieknoten hangen erin. En hij zet de juiste benaming eronder.

Niets mooier om een gemotiveerd kind te zien.
Hem de dag te zien beginnen.
In rust.
Met focus.

Op weg naar het kantoor mijmer ik nog even over mijn eerste gedachten. Het laat me niet los, deze shift. Tegelijkertijd besef ik opnieuw dat de keuze voor een ‘negatieve’ of ‘positieve’ gedachte in een split second gemaakt is. En dat ik daar zelf controle over heb. Dat mijn eigen gedachten vanuit reflectie (on action) en autonoom denken de keuze ‘zichtbaar’ maakt.

Mijn enthousiasme deel ik in de vorm van het beeld op sociale media.

Op Facebook voedt het de interesse hoe de dag eindigde. Voor deze jongen. Een de dag van. Een andere reactie zinspeelt op straf. Ik glimlach. Op Twitter wordt ,net als de gedachte bij mijn glimlach, aangenomen dat de leerling uit de klas is gezet. Er wordt zelfs het oordeel ‘niet goed!’ opgeplakt. Om vervolgens een kort pleidooi te houden voor inclusief onderwijs. Inclusie, een belangrijk thema. Zo niet één van de drijfveren over het waarom ik in het onderwijs werk. Ergens vind ik de reactie wel schattig. Zeker in het licht van mijn eerste split second.

Een jongen in rust aan het werk. Over zijn schouder lijk ik te zien dat het om een overhoring gaat. Een proefwerk misschien wel. Het benoemen van de juiste noot. Eerder bij mij en nu ook online een gevoelige snaar geraakt.

Dat deze jongen ook indirect online iemand raakt is even bijzonder als gaaf. Nadat ik mijn positieve interpretaties deel krijg ik een duidelijk, ergens wat pedant statement terug. ‘Een foto zegt niet alles!’ Nee. Een beeld zegt zeker niet alles. En soms meer dan 1000 woorden. Soms. En ja, soms is een noot moeilijk te kraken. Te raken. Zeker als er ook nog mollen en kruizen doorheen lopen. Het zuiver interpreteren vraagt sensitiviteit. Zien van wat werkelijk is. En anders onderzoeken tussen de lijnen.

Er worden vragen gesteld, want het blijft niet bij een statement. Crescendo volgt een opsomming: ‘waarom zit deze leerling niet rustig in de klas?’ Ja. Waarom eigenlijk niet? En wat maakt dat hij wel rustig en gemotiveerd op de gang zit, denk ik dan. In essentie een goede vraag, alleen lees ik een negatieve connotatie. Maar dat ligt wellicht bij mij.

‘Wat doet de rest nu,’ is de volgende vraag. Wat deze vraag met deze jongen te maken heeft ontgaat me. Wellicht projectie: het gevoel van erbij willen horen. Een wilde gok. Een eerste gedachte.

‘Heeft deze leerling zelf gekozen om buiten de klas te zitten of is hij uit de klas gestuurd?’ Een op zichzelf staand goede vraag, al lijkt de ‘of’ te insinueren dat er een keuze is. De laatste vraag vind ik een sterke, verband houden met de vorige maar zou deze vraag toch als tweede willen stellen aan hem: ‘hoe voelt de leerling zich op dit moment (red: waarop ik de foto maak) zich?’

Omdat de vragensteller de vragen niet persoonlijk kan stellen en er ook op andere media naarstig naar context gezocht wordt, besluit in deze jongen uit de les te plukken. Bij Duits.

De leerlingen zijn rumoerig hun plek aan het zoeken. Ergens wat verwonderd kijken ze op als er een voor hun wildvreemde kerel voor in hun klas staat. Naast de docent voed ik hun verwondering door mijn houding. Rust daalt in. Ik leg hen uit wie ik ben, vraag of ze het tweede uur muziek hadden en wie van hen op de gang zat te werken. Vrij snel, nadat ze elkaar wat lacherig hebben aankeken, steekt een leerling zijn hand omhoog. Met de hand volgt een zelfverzekerde “dat moet ik zijn geweest”. Mooi! Dan heb ik hem nodig. Ik herken hem en vraag of hij even mee wil lopen.

“Wat heeft hij gedaan?”
“Krijgt hij straf?”

Op onze weg naar een rustige plek op eenzelfde gang verzeker ik de klas dat de jongen niets gedaan heeft en dat hij al helemaal geen straf krijgt! Een tafel is snel gevonden. Er staat echter maar één stoel bij dus ik nodig de jongen uit om op de tafel te gaan zitten. Vertwijfeld kijkt hij mij even aan, maar als ik ga zitten volgt hij. Ik laat hem de foto zien en leg hem de situatie uit. Hij begint wat te stralen en voelt zich uitgenodigd om mee te werken aan het korte interview. We gaan de vragen chronologisch af.

“Nou, ik zat eigenlijk wel rustig in de klas.” Even lijkt hij mij even verbaasd over de suggestie aan te kijken om zijn verhaal te vervolgen. “Maar omdat ik vorige week ziek was, had ik nog een toets om in te halen. Dus ik zat op de gang om mijn toets in te halen.” Over de rest van de klas is hij direct duidelijk. “Die waren bezig met voorbereiding van een ander toets, aan het werk voor een opdracht. Zij waren aan het oefenen. En mijn partner wachtte op mij, dus ik wilde snel de toets maken.”

Hij, de jongen, maakt op mij een gemotiveerde indruk. Zijn uitleg impliceert dat hij meerdere drijfveren had om deze toets te maken. In te halen. Wellicht zelf tijd inhalen. Hij bevestigt de drijfveren van het goed maken van de toets is en het snel samen kunnen oefenen met zijn ‘partner’. Prachtig woord. Mooi hoe leerlingen ook mij telkens weer met taal weten te verrassen!

De derde vraag gaat indirect over de docent. Over eigen keuze of eruit gestuurd. Alsof er geen andere mogelijkheden zijn. “De juf gaf mij een tip. Ze zei dat ik een tafel en een stoel kon pakken. Om rustig de toets te maken. Dat ik kan werken met betere concentratie, snapt u!?” Ja! Dat snap ik. Die relatie tussen leerkracht en leerling. Van en met elkaar leren. Ontwikkelen. Wederkerigheid. Dát maakt dit vak zo mooi!

En dan de laatste vraag alweer. Ik geniet van zijn antwoorden en gemotiveerde energie. Wellicht de meest essentiële vraag, naar het gevoel van de jongen. “Op dat moment (red: daar in de gang) voelde ik niets speciaals…ik was een toets aan het inhalen. Ik heb geen gevoel bij het maken van toetst. De toets ging mij goed af.” Heerlijk lijkt me dat. Vrij handelen en geen druk voelen. Ook niet bij het maken van een toets. Deze jongen zou een leermeester kunnen zijn. Voor diegene die dat wel druk voelen. Gevoel van falen wellicht. Hoe gaat hier mee om? En misschien dat dit bij andere vakken anders is voor hem, bij muziek in ieder geval niet.

Nieuwsgierig vraag ik toch stiekem door. Naar zijn algemene gevoel voor school. Op school. Van school. Met enthousiasme ontvang ik: “Ik heb wel een goed gevoel over school. Ik doe mijn best. Ik leer hard en heb veel vrienden. De normale dingen eigenlijk.”

Normale dingen.
Tja…
Wat is normaal?

Al luisterend naar deze jongen ontvouwt zijn norm zich als dat wat hij aanduidt met ‘het goede gevoel’. En dat hem daar zaken bij helpen, voegt hij toe. Zijn best doen, hard werken en sociale interacties. En volgens mij ontmoeten de vragensteller en deze jongen elkaar. Kwaliteit van leven als leidend. Jezelf insluiten en wat je zelf belangrijk vindt. Wat je drijft. Hard werken. Om misinterpretaties uit te sluiten. Focus op het goede gevoel. Je best doen om elkaar of de toets te ‘ontmoeten’. Naar elkaar te luisteren. En te accepteren dat op de gang zitten soms echt geen straf is.

About the Author

Leave a Reply