Ronald Heidanus (37) is docent wiskunde in het voortgezet speciaal onderwijs op vmbo-school het Brederocollege in Breda.

‘Er was een tijd dat ik bloedlink werd als ik een pester in mijn klas had. Die kon dan rekenen op strafwerk, een enkeltje naar het time-outlokaal en een uitbrander. Ik pakte ze met harde hand aan, tolereerde dat gedrag echt niet in mijn klas.

Tot ik erover ging nadenken, en erover sprak met mijn leerlingen. Toen besefte ik dat ik eigenlijk, als docent, met die leerlingen hetzelfde deed als wat mij vroeger is aangedaan. Ik sloot ze buiten van de groep, isoleerde ze. Het begon aan me te knagen; zo’n aanpak paste niet bij me. Mijn pedagogisch standpunt over pesten is dat iedereen aardig is en iedereen erbij wil horen. Bovendien veranderde ik de pesters er niet mee. Ik loste niets op en besefte dat het beter was het gesprek aan te gaan.

Ik snap wél waar mijn boosheid vandaan kwam. Als kind ben ik vreselijk getreiterd. Naar huis lopen vanaf school was een hele opgave. Moet ik rennen, loopt er iemand achter me, ben ik veilig? Heel naar om zo je schooltijd te beleven.

Sinds ik docent ben, snap ik hoe pesten ontstaat. In het begin zijn beide partijen onmachtig. Eén partij pakt de macht, de andere partij is diens eigen kracht kwijt. En beide weten vaak niet hoe ze met de situatie om moeten gaan als het pesten eenmaal is begonnen. Dáár ligt de rol van de docent: je moet terug naar een nulpunt, samen de situatie herstellen. Met de pester én de gepeste. Elkaar taal leren geven om gevoelens te ondertitelen. Samen terug naar de aanleiding door deze zo klein mogelijk maken. En gooi alles open. Als ik vóél dat er iets broeit, dan begin ik mijn les niet vóórdat het probleem is besproken. De stof kan wachten, dit niet.

Dat ik dit kan meegeven aan leerlingen, vind ik mooi. Ik voelde me als kind onbegrepen en gebruik dat nu om te zorgen dat mijn leerlingen zich gehoord voelen. Zo heeft mijn pestverleden een pedagogische meerwaarde gekregen.’