Blog : intentie

Een bolletje wol

Na een aantal weken stak hij zijn vinger op: Didier, een jongen ‘van de straat’. “Wat vindt u eigenlijk van mij?” Wat stotterend en onwennig stelde hij me de vraag. Op een wat stoere toon. Ik merkte dat hij zijn best ervoor deed. Toch was Didier erg benieuwd. Op zoek naar bevestiging?

Van het woord ‘stoer’ moest Didier trouwens niets hebben. Stoer had volgens hem een negatieve lading. Hij vond zichzelf ook absoluut niet stoer. Vreemd eigenlijk! Zijn omgeving zag hem wel zo. Hij had veel volgers. Soms stootte hij deze ook wel eens af, als ze in zijn ogen ‘domme dingen’ deden. 

Soms leek het alsof hij een beetje stiekem gedrag vertoonde. Een aantal mensen betichtte hem zelfs wel eens van leugens. Wanneer er een conflict ontstond, kon hij zeer agressief uit de hoek komen. Klasgenoten voelde zich onveilig bij hem, in fysieke zin. Maar ook omdat zij hem onbetrouwbaar en niet congruent vonden. Wat hij zei, deed hij soms niet. Grenzen leken voor Didier namelijk nog niet aanvaard.

Hij was op zoek.

Aan een afspraak hield hij zich vaak niet. Het was als  ‘oeps, vergeten’ en dan echt, althans zo leek het. Soms duwde hij de ander onverwachts weg. Dan deed hij eerst aardig, maar zette hij even later diezelfde persoon in de zeik. Anderzijds vond hij het verschrikkelijk als iemand hem niet mocht.

Voor vele een bijzondere jongen, voor mij een jongen met een iets te zware ‘rugtas’. Een rugtas vol met opgedane en onverwerkte ervaringen! Zijn verleden kleurde zijn heden. Hij was open, dat zeker! Je kon met Didier over alles in gesprek. Met de juiste vragen en soms wat doorvragen tekende hij zijn leven al aardig uit. Er ontstonden dikke en dunne lijnen, maar ook stippellijnen. 

Didier was als leerling mijn uitdaging, vooral om eigen waarden te ontdekken en grenzen op te rekken. Samen leren, van en met elkaar.  Dankzij Didier kon ik de juiste lijn vinden…

Na een maand of drie zei Yco tegen Didier dat hij onbetrouwbaar was. Op zijn beurt was Didier niet te houden! Zeker niet toen Yco hem – onwetend, al leek het wat wijselijk – negeerde.

Op zo’n moment weet ik dat ik heel scherp te zal moeten zijn, het juiste te zeggen en tegelijkertijd ‘de taal’ af te stemmen op zowel Didier als Yco.

Nadat Didier rustiger was geworden, heb ik hem verteld wat ik dacht dat Yco met zijn opmerking bedoelde. Yco bevestigde mijn verhaal. Hierdoor werd Didier nieuwsgierig. Het was nog steeds niet duidelijk wat en vooral waarom Yco zo dacht, maar een lading vragen volgde.

De twee – in opvattingen, achtergronden en waarden de meest uiteenlopende leerlingen in de groep – gingen vervolgens met elkaar in gesprek! Ik nam zelf letterlijk en figuurlijk afstand en gaf Didier het vertrouwen dat hij ook rustig een gesprek kon voeren.

Wat ontstond was een prachtige, eerlijke conversatie. En begrip! Door te luisteren, over en weer samen te vatten en door te vragen.

De ‘wat-maakt-vraag’ heeft Didier het hele jaar zeer geboeid. Het heeft hem ook veel opgeleverd, zowel inzichten als nieuwe frustraties! “Ik krijg stress als mensen deze vraag verkeerd gebruiken!” 
Hij had gelijk! Enerzijds. 
Anderzijds zag hij niet in dat deze mensen het deden om te ‘toetsen’ of om Didier ‘terug te pakken’! Wat voor hem stress opleverde, was voor de ander een ‘cadeautje’!? Kreeg hij terug (gespiegeld) hoe hij met anderen omging?

Het moeilijke (of de uitdaging) van empoweren is dat het van mij vraagt mezelf kwetsbaar op te stellen! Dat ik voorleef wat de leerling (en dus ook ik) te leren heeft. Het gaat om practice what you preach. En ja, de ander kan misbruik maken van die kwetsbaarheid. Het is dé test om te ervaren, waar je zelf in dit proces bevindt. Elkaar te ondersteunen. 

Ben ik (/jij) sterk genoeg om dicht bij mezelf (/jezelf) te blijven?

Didier liep over een dun lijntje, zo werd hem en iedereen duidelijk. Hij viel snel in oude gewoontes en gedrag terug. Maar hij kende ook veel mooie momenten! Vol trots vertelde hij iedereen over zijn inzichten en opbrengsten. Over de band met zijn moeder, de communicatie met verscheidende vriendinnetjes, zijn voetbalcoach en team. Maar ook over de ‘bijna ruzies’ en “achterlijke” acties op straat van zijn vrienden. Didier wist hier en daar conflicten en voorvallen te voorkomen door de ‘wat-maakt-vraag’ aan zijn vrienden te stellen! “Het werkt echt!

De ‘wat-maakt-vraag’ kreeg pas echt ‘gelaagdheid’ op het moment dat ik hem koppelde aan ‘de ijsberg’! Gedrag is maar het topje van de ijsberg.  Wat drijft iemand om juist dat gedrag in te zetten en wat wil het eigenlijk zeggen? 

Het vraagt soms een lange adem en geduld om erachter te komen wat er bij iemand – onder water – speelt. Anderzijds is er lef nodig om contact te maken met datgene wat er onder het oppervlakte zit. Om onduidelijkheden te benoemen en onzekerheid toe te laten, daarvoor is kwetsbaarheid nodig. 

Didier begreep het, met een verzuchtende ondertoon uitte hij zich: “Maar dan kun je alles wel verklaren met zo’n ijsberg!?

Voor Didier bleef het lastig om zich kwetsbaar op te stellen. Was het zijn biografisch verleden? Zijn cognitieve stijl? Het lag voor de hand dat hij een dergelijk ‘antwoord’ nooit had gezien of geleerd te geven. En toch, ergens leek het ook weer van wel.

Na een week of vijf kwam Didier tijdens het zelfstandig werken al dansend voorbij. Het dansen leidde een aantal leerlingen af en ik vroeg hem een plek te zoeken waar hij wel de rust kon vinden om te werken. Ik sprak hem – voor de derde keer – op zijn verantwoordelijkheid aan.

Didier ging volledig uit zijn plaat!

Hij riep dat ik loog, dat hij niets deed en dat hij gewoon op zijn eigen plek in de klas wilde werken. Mijn zijn armen gespreid stond hij met zijn gezicht op drie centimeter van mij te schreeuwen! Zijn houding – maar vooral de kracht waarmee het plaatsvond – maakte de situatie onveilig.

Met hetzelfde volume en zonder blikken of blozen stuurde ik hem naar ‘de achtervang’ om rustig te worden. Met een klap smeet hij de deur achter zich dicht!

Minder dan tien minuten later kwam Didier vragen of ik met hem in gesprek wilde gaan. We liepen naar buiten. Voor hem. Hij wilde dat niemand ons kon horen. Met oprechte excuses voor zijn agressieve houding startte hij het open gesprek. In navolging op zijn verontschuldiging kwam hij met zijn eigen verklaring: “Ik deed een soort van dansende bewegingen om Ben af te leiden, dus u heeft dat kunnen zien als dansen.

Knap staaltje evaluatie, reflectie én verantwoordelijk nemen! 

Duidelijk werd dat Didier van ‘de taal’ is. Dansen is dansen en ‘dansende bewegingen’ is nog niet per definitie dansen… In zijn ogen. Of was het een verdediging? Hem meenemen in de ontwikkeling van schaamte. Didier stond er voor open!

Het voorval tussen ons maakte de relatie tussen ons als stippellijn tot een dikke, stevige lijn! Het zelf geïnitieerde evaluatiegesprek en mijn begrenzingen kwamen voort uit onze relatie die veilig, vertrouwelijk maar vooral stevig genoeg was. Hij voelde het fundament om écht bezig te gaan met de existentiële vraag: ‘Wie ben ik?

Tijdens een vervolgles op ‘de ijsberg’ ontstond een gesprek over authenticiteit. Didier stelde mij de vraag wat ik dacht dat hij dit jaar zou moeten leren, los van zijn lesboeken. Het antwoord werd een wedervraag: “Wie ben jij nu echt?”

Als toelichting op mijn ‘antwoord’ gaf ik een beschrijving van zijn verschillende gedragingen die mij een schooljaar eerder waren opgevallen. Van een agressieve jongen die over het schoolplein stuiterde, tot de behulpzame jongen die zeer meewerkend was.

Was veel maar een houding? En zo ja, waarvoor? Nee, wat was de functie?

Was hij onzeker? (Wie niet trouwens in deze levensfase?) Wat is de reden? Wat is zijn behoefte? Wanneer is hij blij en wat maakt hem gelukkig?

De ‘wat-vindt-u-van-mij’-vraag als koevoet tussen weerstand en de verandering. Weten dat hij zelf midden in het proces zit van kind naar jongvolwassene.

Soms helpt het om een leerling even zelf te laten zwemmen of het bos in te sturen. Iets in me wist dat ik er goed aan deed Didier het bos in te sturen.

Op zoek.

Hij stippelde zijn pad uit en maakte er vervolgens duidelijke en dikke lijnen van. Hij leerde zijn eigen grenzen kennen. Zichzelf te ontmoeten. 

En ik, ik mocht met hem mee. Samen het bos in, met een zoeklicht. 

Wat een ontwikkeling heeft hij doorgemaakt. Nu is hij klaar om zijn volgende vraag op te pakken! Succes, Didier, laat zien wie je (echt) bent en ontmoet de ander!

Ow, en wat ik van hem vond? Een bolletje wol!

Een glimlach in plaats van een correctie!

Een glimlach in plaats van een correctie!

De groei die een leerling in de loop van een schooljaar meemaakt, ontgaat me nog wel eens. Het besef volgt als je de nieuwe lichting verwelkomt. Op deze eerste schooldag zie ik ze staan. Vrijwel allemaal een koppie kleiner, letterlijk. Ze slenteren over het schoolplein, onzeker nog. Ze weten zichzelf geen houding te geven, zoeken aansluiting. Bij wie voel ik me thuis, bij wie ben ik veilig?

Ik struin wat over het schoolplein en stuit op Michael. Hij valt op. Niet qua lengte. In vergelijking met de anderen is hij overigens absoluut niet klein. Maar het is zijn algehele uitstraling, zijn manier van bewegen en zijn vragende en zoekende blik…

‘Hoi, ik ben meneer Ronald en jouw naam is?’ vraag ik en ik steek mijn hand uit. “Michael!” antwoordt hij met een soort schijnzekerheid. Hij lijkt een soort van ‘waarom moet hij juist mij weer hebben…’ in zijn intonatie te hebben.  ‘Heeeej, Michael! Goed dat je er bent,’ zeg ik en daar laat ik het bij. Ook in zijn handdruk en lichaamshouding voel ik een soort van onveiligheid.

Het zal zeker niet ons laatste contact zijn. Iets in me zegt dat ik juist met hem ‘iets’ moest. Maar wat? Telkens als ik Michael tegenkom in en rond de school, volgt er vanuit mij – met steeds dezelfde intonatie – een ‘Heeeej, Michael!’, gevolgd door een halve knipoog.

De eerste dagen knikt hij alleen een keer zijn hoofd. Het lijkt erop alsof hij denkt dat ik hem voor de gek houd. Na vier dagen komt hij wat los en lijkt hij me te willen ‘toetsen’!
‘Heuj Harrie,’ is zijn antwoord op mijn ‘voorspelbare’ groet. Ik bezorg hem een welgemeende grote glimlach. Ons eerste contact, dat is winst dus!

Langzaam begint hij zich veilig te voelen. Hij laat niet direct alles van zichzelf zien. Eerst maar eens de grenzen aftasten. Hij doet zichzelf stoerder voor, zo lijkt het. Ik zeg niets, bevestig zijn toenadering met een glimlach in plaats van een correctie. En dit ‘patroontje’ herhaalt zich zo een aantal dagen. Tot de tweede week, op woensdag.

‘Hoi meneer Ronald!’

Vanuit de andere kant van de hal hoor ik hem roepen. Ik herken zijn stem direct. Met een grote glimlach draai ik me om.

‘Hoi Michael, hoe gaat ie?’
‘Goed!’
‘Mooi zo, veel plezier vandaag!’

Ons eerste korte gesprek was een feit. En wel op zijn initiatief! Niet ‘stoer’ en ‘aftastend’, maar in contact!

Ik geniet elke keer zo van deze kleine stapjes die leerlingen maken en overduidelijk ook nodig hebben. Door een leerling te volgen en hem/haar het gevoel te geven dat hij/zij zich veilig weet, is een basisvoorwaarde aanwezig voor een vruchtbare relatie waarin ‘geleerd en ontwikkeld’ kan worden. Het is het fundament, de opening voor een verbinding.

De ‘Heeeej’ – in combinatie met mijn enthousiasme – verzon ik ter plekke. Ook met de handdruk sloeg ik onbewust een pad in. De reactie van Michael – het terugtrekken en in zijn comfortzone blijven – bood mij een uitdaging. Het onbewuste werd bewust: het structureel groeten, op dezelfde toon, de knik, de lach.

Mijn uitdaging zat in het weerleggen van zijn gevoel van onveiligheid. Hij ‘toetste’ mij. Houdt deze leraar mij voor de gek? Mijn reactie was voor hem nieuw, was mijn enthousiasme oprecht? Dat zocht hij uit. Daar was tijd voor nodig.

Inmiddels is voor mij duidelijk geworden hoe Michael communiceert en wat zijn aanspreekniveau is, zowel verbaal als non-verbaal! Het zit in de details: zijn knikjes, het zoeken, zijn bewegingen, de woorden die hij kiest…

Lesgeven is een bijzonder spel. Waarin nog genoeg te ‘toetsen’ is. Met Michael durf ik dat avontuur wel aan. Hij met mij ook!

Wordt vervolgd…

 

Deel 2: Ik luister niet!
Deel 3: Is er een juiste vraag?

Zouden er speciale scholen bestaan als de DSM niet had bestaan?

Het was psychiater Jim van Os – in 2008 door zijn collega’s benoemd tot toppsychiater – die mij positief triggerde in een uitzending van Een Vandaag afgelopen mei. Hij sprak zijn teleurstelling uit over de nieuwste uitgave van de DSMDe eerste versie – in 1952 – maakte slechts melding van een aantal diagnoses. Deze laatste versie is dikker dan ooit. Wat zegt dat over onze maatschappij en ons mensbeeld? En wat betekent dat voor onze ‘kijk’ op onderwijs?

Het systeem is een boek geworden, van ziektelabels die komen en gaan. En dat is geen goed systeem om psychische aandoeningen te beschrijven.

Hij breekt (voor mij) hiermee een lans voor het sociaal- en burgerschapsmodel en lijkt het ‘medisch model denken’ achter zich te laten. Zijn uitspraak aan het einde van de uitzending doet dit sterk vermoeden: “Je wordt pas beter van een psychische aandoening als je er zelf actief mee aan de slag gaat en je eigen kracht weer gaat zoeken, dat is het model waar we naartoe moeten”

Ooit was het Ros Blackburn die vertelde over haar jeugd, opvoeding en moeder, die op haar beurt de woorden sprak: “Never make autism an excuse but overcome problems en difficulties caused by it.

Het overwinnen van moeilijkheden start bij jezelf, je ‘eigen kracht’ zoals Van Os het noemt, je talenten en mogelijkheden, het vinden ervan en de belangrijke rol die ook de omgeving daarbij speelt.

Over de rol van de omgeving vertelt Jan Verhaegh in dezelfde uitzending heel kort iets vanuit zijn biografisch verleden. Over hoe er naar hem werd gekeken, het belang van zijn vrouw, over de hulp die hij nu heeft en de onzekerheid waarin hij wordt achtergelaten.

Ik neem aan dat niemand zich als ‘een nummertje’ wil voelen. Hij raakt de kern met zijn opmerking… Het gaat om de mens als geheel!

Het probleem is dat als je normaal intelligent bent, of als je universiteit gedaan hebt of gepromoveerd bent, dat het voor mensen in de beeldvorming heel erg moeilijk is om te zien en te begrijpen dat je tegelijkertijd ook gehandicapt bent.

‘Beeldvorming’ en ‘begrip’ zijn voor mij de meest essentiële woorden in de uitspraak van Verhaegh. Als je vasthoudt aan je eigen beeldvorming kan er ook geen begrip ontstaan. Luisteren om te begrijpen is van belang. Naast luisteren zal je ook eerst zelf goed in de spiegel dienen te kijken om te weten te komen wie je zelf werkelijk bent. Met alles wat daarbij hoort; welbevinden, waarden, hoe alles voor jezelf ‘werkt’, kwetsbaar durven opstellen en ga maar door. Pas dan kan je jezelf echt verhouden tot de ander en perspectief nemen.

Psychiater/filosoof Alan Raltson (1967) beziet het ontstaan van de DSM (1952) als een spiegel van ontwikkeling in de maatschappij: Het is gewoon een reflectie van wat ‘wij’ vinden, wat tot het territorium hoort van de psychiatrie.

Maar als je de eerste DSM’s zo kan zien, kun je de huidige versie dan ook zo zien? Heeft Jim van Os gelijk over het ‘komen en gaan’? En als het een spiegel is, zien we dan allemaal wel hetzelfde? Praten we er niet veel te veel over in plaats van dat er echte duurzame acties ontstaan? Als zelfs de paus over het onderwerp ‘homohuwelijk’ durft te spreken – homoseksualiteit dat ooit in de DSM stond – wat voor ontwikkeling maken we dan door? Is de DSM een wereldwijd consent voor hulpverleners? Willen we met z’n allen een ‘passief medisch model’ zoals Van Os vertelt? Of blijkt de DSM alleen een sleutel voor zorgverzekeraars te zijn? Vaart de DSM op de economie? Of houdt de economie het systeem juist in stand?

Ik blijf me afvragen hoe het ooit begonnen is. Was het niet zo dat de American Psychiatric Association in 1844 zich juist inzette voor de ware belangen van de cliënt? Waren er toen niet een aantal mensen in het genootschap dat regelmatig bijeenkwam? Hoe is dat nu? Hoeveel psychiaters zijn er wel niet? Is het dan nog mogelijk of goed en individueel af te stemmen op de individuele persoon?

Schaalvergroting heeft zichzelf niet echt een dienst verleend, dat is op meerdere en andere vlakken aangetoond. Aan de andere kant ben ik ook maar een leerkracht en geen psychiater, dus kan (en misschien mag) ik eigenlijk niets over deze materie zeggen.

Toch blijft het me pakken, omdat het wel degelijk invloed heeft op mijn leven, op mijn samenleven. Maar ook mijn werk, zouden er speciale scholen bestaan als de DSM niet had bestaan? Hoe zouden we mensen die in onze ogen ‘anders’ zijn behandelen?

Een overdenking voor morgen…

Misschien vandaag al, we leven tenslotte in De Samenlevende Maatschappij!

Gebroken eieren, geslachte kippen!

Zaterdag 12 november 2011 en de Volkskrant bericht “Ouders geven adjunct aan”. Onder de noemer ‘er moet eerst wat gebeuren voor we wakker worden’ lijkt het me tijd worden om eens echt met elkaar in discussie te gaan over wat de kern is n.a.v. wat er gebeurd is.

Het lijkt me goed om een uiteenzetting te maken van alle variabelen/thema’s alvorens we maar met z’n allen gaan roepen, er iets van vinden en een mening gaan vormen. Ik denk dat er te snel naar het ‘gevolg’ gekeken wordt, terwijl het kijken naar de oorzaak en/of de aanleiding mijn inziens prioriteit heeft. Het meest constructief ook.

Want dáár zitten de lessen voor de toekomst!

Lees verder