Weer meer kinderen naar het speciaal onderwijs

Weer meer kinderen naar het speciaal onderwijs

Weer meer kinderen naar het speciaal onderwijs

#zondaggedachte

Weer meer dan een jaar geleden. Omringd door wijze mensen zit ik aan grote ronde van tafels. In de aula van een scholengemeenschap luister ik naar de evaluatie door de directeur van een samenwerkingsverband. Hoor ik de directeur zeggen dat er een schooljaar eerder zevenenzeventig leerlingen zijn verwezen van het regulier onderwijs naar het speciaal onderwijs. Of het weer meer is ten opzichte van weer een schooljaar eerder weet ik niet. Op dat moment boeit het mij ook eigenlijk niet.

Percentages zijn helemaal niet interessant, zeker niet als het over en om kinderen gaat. Daarnaast kan iedere doorverwijzing een nieuwe ‘casus’ zijn. Een nieuwe mogelijkheid om lering te trekken. Het anders te doen. Voor hen, die weer meer kinderen. En is dat overigens niet precies waar onderwijs over gaat: ontwikkeling en groei in kaart brengen, evalueren en het onderwijsaanbod passend en onderbouwd afstemmen op de ontwikkelingslijn van een kind. Vanuit hoge verwachtingen, voor de duidelijkheid.

Na de bijeenkomst loop ik naar de directeur. Dank hem voor de uitgebreide evaluatie. De directeur beaamt de mogelijke aanleidingen. Van expertise, gebrek aan samenwerking tussen scholen via een zuivere dialoog tussen ouders en school tot en met de bekostigingsprikkel. Die laatste lijkt trouwens het gehele systeem van onderwijs passend willen maken in een houtgreep te houden. En niet voor niets loop ik naar deze directeur. Want die houtgreep boeit mij. Blijft mij steeds maar weer die ene vraag doen stellen. Weer. Ooit als leerkracht in het speciaal onderwijs, het cluster 4. Nu daar aan tafel.

Die ene vraag stel ik hem tenslotte: ‘Hoeveel leerlingen hebben de omgekeerde weg bewandeld?’

Uiteraard zitten er onder die ene vraag veel meer vragen. Vragen rondom het ontstaan van het speciaal onderwijs: de intentie, visie op mens en visie op ontwikkeling van kinderen. Of er een actieve interactie bestaat tussen het speciaal onderwijs en scholen van herkomst. Of er speciale klassen actief zijn binnen reguliere scholen. Of die befaamde expertise van het speciaal onderwijs wordt verspreid, omwille van het gevoel van competentie onder leerkrachten in het regulier onderwijs. En of de bekostiging tijdens de omgekeerde weg met het kind meegaat naar het regulier onderwijs om mogelijke nazorg te kunnen bieden.

Dat in kaart hebben, weten wat er speelt en weten wat werkt, vraagt om precies te weten wat er gebeurt binnen het speciaal en regulier onderwijs. Het kennen van elkaar. Het zichtbaar durven maken van ‘casussen’. Verwijzingen en terugplaatsingen. Of het speciaal onderwijs passend is voor de ontwikkeling van de weer meer kinderen. Waarom wel en waarom niet. En nee, niet voor nu of volgend schooljaar maar voor over twintig of vijftig jaar! Voor de toekomst die hen toekomt. En dat is best een taak, om dat in kaart te hebben. Voor het onderwijs. Voor samenwerkingsverbanden. Zelfs voor de overheid. Curatief ook nog eens. Met haar “nog meer investeren in scholen voor speciaal onderwijs,” bevestigt Lilian Marijnissen dit. Juist, waardoor het steeds maar weer meer blijft worden. Of?

Even preventief gedacht: Wat nu als alle scholen ‘speciaal’ worden? Alle scholen die kleinere klassen hebben, expertise dat wordt verspreid en er meer tijd en ruimte wordt gecreëerd om collectief als team te ontwikkelen. Over ontwikkelen trouwens, ik weet niet of mevr. Marijnissen zich ooit verdiept heeft in het onderwijsniveau binnen het speciaal (basis)onderwijs? Naar mijn bescheiden mening én ervaring, die is niet hoogstaand! Worden leer-/lesdoelen bijgesteld omwille van gedrag. Wordt een omgeving gecreëerd die niet lijkt op die van leeftijdsgenoten uit hun eigen buurt. Om het nog maar niet over de veiligheid in taxibusjes te hebben. En als er weer meer kinderen naar het speciaal onderwijs gaan, zou ik me als overheid grote zorgen maken over het langetermijneffect…

In eerste instantie over het onderwijsniveau van de kinderen. Een tweede over de beeldvorming van kinderen met andere onderwijsbehoeften, net zoals vmbo worstelt met een imagoprobleem. Een derde over het meester-/vakmanschap van de leerkracht, waar best een spanning op zit met dat tekort. Een vierde over de rol van ouders, hoofdverantwoordelijken voor de opvoeding van hun kinderen. En ergens pas in laatste instantie over organisaties die weer meer gaan ontvangen met het investeren in het speciaal onderwijs.

Is het te socialistisch gedacht om juist te investeren in het samen de klus klaren, mevr. Marijnissen? Want even concreet, mevr. Marijnissen, hoe wordt er dan geinvesteerd als u het voor het zeggen hebt? Als er geen collectief politiek statement plaatsvindt vanuit een humane visie op opvoeding en (speciaal) onderwijs, en rondom klassengrootte, deskundigheidsbevordering, onderwijsomgeving en bekostiging, blijft een uitspraak als deze slechts het verplaatsen van lucht.

Ow, het antwoord van de directeur op mijn vraag was trouwens heel kort: “Geen!”
Tja. Dan verwordt die weer meer tot een simpele optelsom.

Deze week dacht ik terug aan de uitspraak tijdens de evaluatie daar aan die tafel. Na het lezen van een artikel met dezelfde titel als dit schrijven. Via Twitter bevroeg ik Wim Ludeke, voorzitter van het College van Bestuur van de Onderwijsspecialisten (zij bieden -voortgezet- speciaal onderwijs) en voorzitter van het Landelijk ExpertiseCentrum Speciaal Onderwijs, naar de inhoud van zijn statement dat hij maakte in het artikel.

“Leerkrachten hebben met alle goede wil geprobeerd kinderen binnenboord te houden, maar dat lukt niet meer.”

Bevragen, omdat voorheen een statement als deze mij zou raken. Kon het mij zelfs op momenten frustreren. Kon ik denken: wie is deze voorzitter van verschillende organisaties binnen het domein speciaal onderwijs om iets te vinden van leerkrachten in het onderwijs? Van mij als leerkracht.

Maar dhr. Ludeke heeft natuurlijk gelijk! De wil is er. Goede wil ook. Onderwijs drijft op willen, willen leren. Echter. Waar de wil politiek ontmoet gaat het niet meer over waar het zou moeten gaan, kinderen. Weet ook de voorzitter. Dat kan ook niet anders, want een voorzitter zit ook aan grote tafels met wijze mensen. Aan tafels bij samenwerkingsverbanden waar volgens deze voorzitter “rare fratsen” worden uitgehaald. Aan diezelfde tafels waar mensen beslissingen nemen, voor scholen én voor diezelfde leerkrachten die hij tegemoet tracht te komen met zijn statement. Aan tafels waar het over de inhoud gaat om onderwijs echt passend te maken, maar zeker ook hoe dat financieel dan moet.

Dus wie ben ik om te denken.
Of om mijzelf te frustreren.

Of daadwerkelijk alles is geprobeerd, blijft maar door mijn hoofd spoken. Denk ik terug aan die evaluatie. Weet ik dat mijn cirkel van invloed als leerkracht niet rijkt tot andere tafels. Weet ik dat mijn invloed een proactieve houding vraagt. Als leerkracht heb ik slechts invloed op om dat binnenboord te laten lukken.

Maar onder dit weinig inhoudelijk statement, maakt het me nieuwsgierig wat dat lukt het niet meer precies betekent. Wat is het? Welke ‘casussen’ de voorzitter legitimeren tot het maken van dit statement. Want ook hier: iedere het is een nieuwe mogelijkheid om lering te trekken. Een mogelijkheid het anders te doen. Een leerkracht te bevoorraden om het wel te laten lukken, het ‘vak’ van leerkracht juist een impuls te geven. Een leerkracht succeservaringen te laten ervaren. Leerkrachten te legitimeren om aan te kunnen geven wat zij nodig hebben. Nodig om dus die omgekeerde weg in te zetten, als leerkracht in het speciaal onderwijs.

Wat ik nodig heb om dat pad te bewandelen? Niet roepen om meer investeren in speciaal onderwijs, maar wijs investeren in het gehele onderwijs. Collectief ontwikkelen, vanuit een humane visie op opvoeding en onderwijs. Niet een afschuifcultuur, maar rare fratsen oppakken, aanpakken en doorpakken! Als leerkracht heb ik (school)leiders nodig die mij in ruimte en tijd faciliteren, zoals bestuurder van Biezonderwijs (speciaal onderwijs) Dave Ensberg-Kleijkers duidelijk als intentie wegzet.

Dus of alles, echt alles, is geprobeerd…?
Ik hoop dat we in het onderwijs blijven ‘proberen’, doen wat werkt.
In plaats van iets vinden of een oordeel vellen dat passend onderwijs is mislukt.
Hopen, zodat er niet weer meer leerlingen een éénrichtingsweg bewandelen.
Hopen, zodat er niet weer meer leerkrachten afhaken…

About the Author

Leave a Reply