Wie de broek past

Wie de broek past

Wie de broek past

Het regent. Naar buiten gaan zit er deze ochtend voor de kinderen niet in. Er is zelfs al rekening mee gehouden. In de speelzaal is een soort apenkooiopstelling klaargezet. Maar voordat ze gaan spelen wordt de bak met gymschoenen door een kind opgehaald. Als iedereen in de kring zit worden ze uitgedeeld. Tegelijkertijd met het uitdelen wordt verteld dat de trui en broek uitgedaan moeten worden.

Moeten.
Ja.

Twee kinderen ogen wat dwars en doen niet wat hen opdragen wordt. Maar dan ook echt; ze blijven met hun broek aan wat lacherig om zich heen kijken. Maar eigenlijk is alleen hij het die het vertikt zijn broek uit te doen! Het andere kind lijkt hem te volgen. Te volgen omdat een ‘laatste’ dwingende aanzet tot het uitdoen van de broek dit kind in beweging zet.

Hij volhardt.

Versteend blijft hij zitten op zijn stoel. De verbale ‘nee’ is in beton gegoten. De eerste keer lijkt er nog wat nonchalance van hem uit te gaan. Maar na drie -van kort naar langere- bezoeken lijkt het beton op te drogen. Zijn besluit staat vast en er lijkt geen beweging in te komen. Non-verbaal is hij nog duidelijker. Met stijve en gestrekte armen grijpt hij stevig de stoel onder hem vast.

Zijn broek gaat niet uit!

Wat er linksom of rechtsom ook wordt geprobeerd, niets lijkt te werken. Knielen. Fluisteren. Maar hoe dichterbij hoe steviger zijn armen klemmen om zijn stoel. Ook een algemene berisping door de klas vindt geen grond. Een laatste poging om tot legitimatie te komen strandt; met alle ouders is namelijk besproken én afgesproken dat er gegymd en gespeeld wordt zonder broek! Ook hij ziet en voelt de staat van arousal bij de ander opbouwen. Als een thermometer…

“Je doet nú je broek uit,” galmt het door de klas.

Een moment wordt er verschrikt gekeken en is de klas een seconde stil, om vervolgens opnieuw te vervallen in de kakofonie van twee seconden eerder. Het schouwspel duurt minuten en de maat is vol. De rest van de groep maakt blij gebruik van de ruimte die ze krijgen.

Dan maar zonder hem!

De rest van de groep beweegt zich naar de speelzaal. Hij blijft achter. Het lijkt hem niets te doen. Sterker, hij kijkt ergens wat opgelucht om zich heen.

Wat maakt dat het nodig is dat die broek uitgaat?
Is het de afspraak?
Is het het gelijk moeten/willen behandelen van kinderen die zo verschillend zijn?
En waarom ‘nú’!?
Wat maakt het aangaan van een strijd? Met een kind…

Maar misschien nog wel de belangrijkste vraag:
wat maakt dat hij zijn broek niet uit doet?

“Dat mag ik niet van mijn oma.”

Een ogenschijnlijk simpel antwoord ontvalt hem. Hij is even bij mij komen staan. Mijn hand op zijn schouder en ons oogcontact deed hem deze woorden delen. En ik kijk hem begrijpend aan. Ik knipoog in stilte. Ja. Als je van je oma je broek niet uit mag doen, dan doe je dat ook niet. Even moeilijk net, zo bijzonder vind ik het dat de jongen zo loyaal is aan zijn oma. Al is bijzonder wellicht een verkeerd woord omdat het zo logisch is. En mooi tegelijkertijd.

Dit wetende houd ‘de strijd’ mij nog even bezig. De strijd dat op een ander strijdtoneel gevoerd kan worden. Moet worden zelfs. Want geen enkel kind dient in conflict te komen met zijn loyaliteit. Ik denk terug aan zijn weerstand. Zijn gestrekte armen. Zijn in beton gegoten vastberadenheid. Ergens benijd ik hem. Dat hij zo jong al zo sterk zijn grens aangeeft. Het enige dat hem nog kan ondersteunen is hem de taal leren om de vraag die niet gesteld is voor te zijn.

About the Author

Leave a Reply