Blog : inclusie

Zorgvuldig over de schutting

Zorgvuldig over de schutting

#zondaggedachte

Een kennis vroeg mij van de week advies. De vader wist niet zo goed wat te doen, maar wist wel dat iets ergens wrong. Een beklemmend gevoel van spanning omdat het voor de man niet klopte… De vader werd na een aanmelding teruggebeld door de schoolleider die hem adviseerde op een andere school in de wijk te gaan kijken. Het voelde als weggestuurd worden.

Dat hij met zijn gezin gaat verhuizen was mij al eerder ter ore gekomen. Dat een school gezocht werd voor het kind ook. Dat er een rondleiding was geweest werd ooit al genoemd, samen met dat ze enthousiast waren. Dat de aanmelding had plaatsgevonden was het laatste dat ik had meegekregen. Tot van de week dus.

Tijdens het telefoongesprek met de vader was de schoolleider duidelijk. Er was contact geweest met de school uit de andere regio, en op basis van de informatie rondom gedrag en uitslagen van de niet-methodetoetsen (in de volksmond ‘cito’s’) was het voorstel om een andere school uit dezelfde wijk te gaan verkennen. Het verwarde de vader. Verwarren omdat

Lees verder

Ieder kind wil leren

Ieder kind wil leren

#zondaggedachte

In een fuik belanden. Dat kan. Ook als leerling, zo blijkt. En dat in een fuik terechtkomen is naast frustrerend ook nog eens benauwend. Lijkt me. Bij Pim gebeurde het dus, zo las ik van de week. En in die fuik belanden gebeurde niet zomaar. De achttien jarige jongen, die vanuit een reguliere basisschool via een school voor voortgezet speciaal onderwijs weer terug naar een reguliere school zwom, had in het speciaal onderwijs geen tweede moderne taal gehad. En dat betekende voor hem niet opstromen naar het vwo. Een weeffout in het systeem zou het zijn. Misschien. Met dyslexie en een ‘autismesoort die problemen geeft met talen’ was het wel gelukt. Misschien. Maar wat zegt dát eigenlijk over weeffouten?

Lees verder

Meesters in Pesten

……of eigenlijk ‘Meesters over pesten’! Het was een woensdagavond tijdens het T-café van basisschool Trinoom in Eindhoven dat Marije Boot en Ronald Heidanus van Meesters In Onderwijs werden uitgenodigd om over pesten te praten. Niet over Methoden of Protocollen. Maar over het delen van ervaringen uit de praktijk. Over dat wat werkt. En waarom het zo werkt.

De start van de avond was aan Ronald, leerkracht in het cluster 4 voortgezet speciaal onderwijs en voorbereider van passend onderwijs in het regulier onderwijs. Met zijn verhalen uit de praktijk maakt hij ‘het spel van macht en onmacht’ zichtbaar. Hij vertelt hoe de pester als ook de gepeste beide onmachtig zijn en vervolgens naar de macht in zichzelf zoeken. Beide zijn ze onhandig in communicatie waarbij compassie de sleutel is naar even-waardigheid.

Dat pesten een ‘hot item’ is, is wel bekend. Dat pesten een wezenlijk onderdeel is van de ontwikkeling van kinderen, is wat minder de geaccepteerde norm. Op dit moment ligt er veel nadruk op het bestrijden van pestgedrag, getuige de vele methodes en het verplicht stellen van Pestprotocollen door het ministerie van onderwijs. Ronald en Marije kijken op een andere manier naar omgaan met pesten, waarbij het pesten zelf niet wordt bestreden, maar eerder gezien wordt als een uiting van iets anders.

In de ogen van Ronald heeft de leraar, sámen met ouders en de leerling zèlf, de regie over dat wat er gebeurt. Er is moed voor nodig om handelen af te stemmen op wat nodig is voor deze kinderen in deze situatie. Vaak gebeurt het dat onze oordelen en/of aannames over gedrag op het plein gevoed worden door oude pijn. Toen we zelf kind waren. We denken te handelen voor het welzijn van de kinderen. Maar in feite handelen we vooral namens onszelf. Voor onszelf. Echter, ieder kind heeft een eigenheid, is van zichzelf. Het heeft ouders, leerkrachten en vooral ook leeftijdsgenoten nodig om sterker te worden. Door alle vormen van pesten direct te willen stoppen zou je kinderen deze  leer-kracht weleens kunnen ontnemen.

Het belangrijkste is het zien en horen van leerlingen. Een veilige leeromgeving start bij een grondhouding. De openingsvraag van Ronald is dan ook: ‘Welke houding/mindset is gewenst?’ Hiermee zet hij direct mensen aan het denken. De ander veranderen is een lastige, zo niet een onmogelijke opgave. Jezelf veranderen is een stuk ‘eenvoudiger’. In ieder geval meer realistisch. Dus met welke houding sta je als leraar, ouder of begeleider voor de groep. Hoe ga je vanuit die houding vervolgens om met pesten?

Het spel, waar Ronald de basis voor legt, start bij het accepteren en zien van verschillen om vervolgens vanuit de relatie die je met een leerling hebt ruimte te creëren. Vanuit die ruimte ga je zoeken naar oplossingen. Belangrijk is de vraag te stellen: Wie is probleemeigenaar? Waar ligt ieders verantwoordelijkheid? Hoe empower je de gepeste én pester? Vanuit de relatie luisteren naar de stem van de leerling, ook als waarheidsbeleving anders is dan je eigen waarheid, en de tijd maken om samen te zoeken naar oplossingen. Dat zorgt voor een brede basis!

Na een korte pauze vervolgt Marije Boot de avond met de opmerking dat pesten een fenomeen is dat niet geïsoleerd kan worden gezien als iets van één of twee kinderen. Pesten heeft een functie in een systeem. Dat kan het familiesysteem van het kind zijn, waarin het thema slachtoffer-dader een grote rol speelt. Of het kan een onderdeel zijn van de cultuur van het schoolsysteem ‘Hier wordt niet gepest’. Dan is de boodschap dat pesten absoluut NIET aanwezig mag zijn. En we weten allemaal dat dat wat NIET gezien mag worden, JUIST meer zichtbaar wil worden…..

Een school is juist een plek waar alle kinderen met hun eigen (familie)systemen zich moeten voegen naar wat leidend is in een schoolsysteem. De normen en waarden van thuis kunnen verschillen met die van school. Dit kan leiden tot conflicten! LEES VERDER…

Over uitsluiten gesproken #2: ‘een dikke middelvinger naar…’

‘Hij heeft autisme, dus dat kan hij niet!’ Het was het eerste dat ik hoorde toen ik mijn toenmalige adjunct-directeur, tevens leerlingbegeleider, vroeg of één van mijn derdejaarsleerlingen stage mocht lopen bij een kinderdagverblijf.

Wáaaaat!? We hadden het toch over Joey, een enthousiaste en goedaardige jongen die na zijn vmbo-periode heel graag naar de opleiding Sociaal Pedagogisch Werk (SPW) zou willen.

Ik stond perplex, mijn mond viel wagenwijd open. Een school voor voortgezet speciaal onderwijs, een wens van een leerling en nul perspectief? Waar was ik in beland? In een oerwoud, zo bleek later, waarin percepties van de doelgroep echt niet strookten met de mogelijkheden, talenten en ontwikkelingen die ik als leraar bij veel leerlingen zag. Vanuit het denken volgens het medisch model werden benaderingswijzen geïmplementeerd, naar de leraren – laat staan leerlingen – werd niet of nauwelijks geluisterd.

Later – verderop in mijn loopbaan – bleek deze school in haar aanpak niet op zichzelf te staan. Eén van de klasgenoten van Joey, Mirabel, had zich ingeschreven voor de Politieacademie. Daar werd ze niet aangenomen. Een maand of twee werkte ik met haar en ik herinner me nog goed dat ik haar handelingsplan las. Daarin stond wat knullig beschreven dat zij zeer onbeschoft kon zijn naar de leerkracht.  Ik proestte een net genomen slok water uit en de geconcentreerde, stille werksfeer maakte plaats voor een schaterlach.

Mirabel zat vlak voor me en schrok van het onverwachte geluid. Op de vraag of zij haar handelingsplan al eens gelezen had, volgde een ‘nee’ en verwachtingsvol keek ze me aan. Ik vertelde wat er op papier stond geschreven en vroeg of zij zichzelf erin herkende. Nu volgde een resolute ‘NEE!’ Terecht! Als er iemand sterk, stoer en rechtvaardig zou zijn, was zij het wel.
Mirabel won ooit een debatwedstrijd in het Provinciehuis. Dus ja, een mening en argumenten had ze zeker. Heerlijke discussies leverde dat op. De lessen werden er levendig van. Ik begrijp het wel. Als je geen weerwoord als leraar duldt, dan heb je een moeilijke aan haar… Nee, voor mij was ze een voorbeeld voor andere leerlingen en lag ze zelfs goed in de groep. Onbeschoft? Mag je misschien als puber nog onbezonnen zijn? Wat beeldvorming en eigen (voor)oordelen al niet kunnen doen.

Bovenstaande ervaringen dateren alweer van zes jaar terug.. En toch raakt het me nog steeds. De lach zit er, maar ook de frustratie én de boosheid. Je zou zeggen dat er in de tussenliggende periode toch wel wat veranderd  zou moeten zijn. Bovendien, vanaf 2004 zijn we in onderwijsland bezig om passend onderwijs te introduceren. Maar niets is minder waar. Recent heeft de ‘weigerschool’ haar opwachting gemaakt. Het beestje heeft een naam gekregen. En het begrip is langzaam ingeburgerd. Ontwikkelingen die volgens mij alleen maar verliezers zal opleveren. Sterker, door dit soort berichten wordt het bouwen van bruggen alleen maar lastiger. Het voedt de beeldvorming en het stigma dat bepaalde scholen en bepaalde mensen niet deugen!

Voor de duidelijkheid:  het recht op onderwijs mag een mens niet worden ontnomen, dat lijkt me volstrekt helder! Toch? Maar hoe worden leerlingen met andere onderwijsbehoeften verder gebracht? Hoe doen zij binnen en buiten scholen kennis en praktijkervaring op?

De ‘standaard’-informatie volstaat niet meer. We worden uitgenodigd om te kijken én te handelen buiten de kaders. Zonder kaders zou trouwens alles mogelijk zijn. Dan zou een schoolleider, een politiefunctionaris of zelfs een directeur ‘je bent niet welkom’of ‘dat kan jij niet’ niet eens verzinnen!

Hoe ver strekt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van scholen?

In het Eindhovens Dagblad las ik een artikel. Het begint met een vraag: Hoe ver strekt de maatschappelijke verantwoordelijkheid van scholen? Ik denk heel ver én ook weer niet. Het is een gedeelde verantwoordelijkheid. Van de leerling, de ouders en de leerkrachten die onderdeel zijn van een schoolgemeenschap en daarmee deel van de samenleving zijn.

We hebben in Nederland een systeem bedacht waarbij kinderen relatief vaak en lang op school zijn. Dat betekent ook meer ‘opvoedtijd’. Tijd om samen (leerling – leerkracht) af te stemmen en te onderzoeken wat nodig om alle (kern)doelen te halen, juist als je anders dan ‘standaard’ leert! Soms is een klein hulpmiddel al voldoende, een andere of volgende keer vergt het (veel) meer tijd. Ben je als onderwijsinstelling ook niet verantwoordelijk voor het welzijn en het leren van ieder kind?

Hoe kan de verantwoordelijkheid worden verdeeld?

Het start vanaf het moment dat leerlingen een stem krijgen, ouders participeren binnen een school (ja, dat is investeren en inherent met het aangaan van het ouderschap) en het beleid opgesteld en gevoerd wordt dóór en mét leerkrachten, plus de leiding van een school. Dat vraagt om een andere mindset van alle betrokkenen. Een maatschappelijke bewustwording. Een sense of urgence. Alleen dan kan een verandering ook duurzaam worden.

School draagt maatschappelijke doelen. Maar langzaam maar zeker begint het bij meer mensen door te dringen dat een standaard curriculum daarvoor niet ideaal is, zeker niet voor iedereen. In het woord maatschappelijk staat het begrip ‘maatschap’. Laat dat nu – los van geld –  staan voor ‘een samenwerkingsverband waarin ieder naar eigen aandeel participeert, ‘inkomsten’ worden verdeeld en waarbij middels verbinding iets in gemeenschap gebracht wordt.

Het ‘samenwerken’ lijkt me duidelijk.  Het ‘verband’ bestaat uit leerling, diens ouders, leerkracht, school en eventueel externe partijen. Dat binnen een samenwerking ieder een ‘eigen aandeel’ heeft is eigenlijk ook wel logisch, al vraag ik me soms af of iedereen ook een gezamenlijk doel heeft!? En zo ja, of de doelen voor iedereen helder zijn geformuleerd en van gelijke waarde zijn. Misschien spelen er wel dubbele belangen?

Een ‘eigen aandeel’ kan ook worden gelezen als een eigen professie, met alle verantwoordelijkheden van dien. Of eigen talenten die er altijd zijn en mogen worden ingezet. Een ‘samenwerkingsverband’ is  immers gebaat bij vertrouwen en openheid. Dat voedt de verbinding! Ik heb dat in mijn klas, maar ook in de contacten met anderen en op andere scholen mogen ervaren! Mis je een schakel ,dan houdt het op. Dan krijg je iets van een kaartenhuis.

Het is dus van belang dat er regelmatig wordt afgestemd. En nee, dat hoeft echt niet met ellenlange bijeenkomsten, zeker niet in het digitale tijdperk!

Als ‘inkomsten’ gezien worden als opbrengsten – populair beleidswoord – gerelateerd aan de ontwikkeling die een leerling doormaakt, wat is daar dan voor nodig?  Meer tijd voor luisteren? Afstemmen? Hulp bieden? Een omgeving aanpassen?

Maar wat deel je dan?  ‘What’s in it for me’ houdt veel  samenwerking tegen, hoor ik om mij heen.

Niemand is hetzelfde. Ik leer iedere dag opnieuw van mijn leerlingen. Dat maakt mijn beroep voor mij zo interessant en te gek: van elkaar leren en op een creatieve wijze in een flexibele dynamiek nieuwe (hulp)middelen ontwikkelen. Nee, daar krijg ik geen tijd en geld voor. Ik doe het  omdat dit voor mij ver-DELEN is!

Ik hoop oprecht dat de (term) ‘weigerschool’ snel verdwijnt, net als het stigma op kinderen die anders leren, andere behoeften en ervaringen hebben. Ik gun het alle leerkrachten om de uitdaging aan te gaan het mooie in leerlingen aan hen terug te geven. Daarmee brengen we ze verder, in hun totaliteit, als mens, binnen de gemeenschap, en de samenleving!

Laten we genieten van  de leerlingen die ‘ik kan het wel’ leven. Als ik – zes jaar na dato – hoor dat Maribel werkgevers voor het uitkiezen heeft, verbaast mij dit niets! In de korte tijd dat ik het vehikel heb mogen zijn in haar ontwikkeling viel alles op zijn plek. Ondanks momenten waarop er zand tussen de onderdelen van het ‘samenwerkingsverband’ kwam.

Als onervaren leerkracht voelde ik dat Maribel compleet vastliep, wetende dat het niet aan haar capaciteiten lag. Als je dan uiteindelijk samen op het punt kan komen, waarop het kind – in dit geval Maribel  – de regie  overneemt en gaat vechten voor haar ‘ik-kan-het-wel’, dan is dat onbetaalbaar!

Maribel heeft bij mij het zaadje van ‘vertrouwen’ doen ontluiken. En misschien is ze in die periode wel een klein beetje onbeschoft geweest. Dan stak ze inderdaad een dikke middelvinger op! Niet naar mij trouwens…



Het is heel interessant om dingen eindelijk te begrijpen
(zoals die lach met vervolgens de vraag of ik mijn dossier
wel eens had gelezen) en waarom er dingen worden
gedaan voor mij en andere leerlingen die je als puber/
leerling niet snap of niet wil zien.‘ – Maribel


Joeri doet een stapje terug en bezoekt eerst de Turkse kapper…

Maatschappijleer, het onderwerp multiculturele samenleving. Dat in een klas jongeren waarvan ik weet dat het merendeel een uitgesproken mening heeft een hele uitdaging. De leerlingen in deze klas doen uitspraken waarbij er geen onderscheid wordt gemaakt en/of rekening wordt gehouden met achtergrond of cultuur. Het is zo’n groep waar wel eens een opstootje is  en ‘het algemeen argument’ is geboren. Het is zo’n sfeer waarin iemand gemakkelijk wordt nagepraat, waar het populisme makkelijk wortel schiet.

Ik besluit deze klas een uitdaging te geven en direct is er aandacht: negatieve, generaliserende opmerkingen mogen alleen in vraagvorm worden gedeeld, zodat we met elkaar in debat kunnen. Onderwerp van gesprek ‘ hangjongeren’. Al snel gaat het over jongeren van Turkse en Marokkaanse achtergrond. De uitdaging blijkt moeilijker dan gedacht. Blijkbaar moet er eerst een hoop ‘oud zeer’ uit.  Op het moment dat de leerlingen zijn  ‘uitgeraasd’, stel ik een vraag: Wat maakt dat iedereen zo op de verschillen zit?

Na een korte stilte en samenvatting van dat wat is verteld, maken de verhalen langzaam plaats voor vragen. Wat is nodig om de jongeren in de gevangenis te helpen; vragen over de hoogte van de straf;  maar er komen zelfs vragen over wat een leerling die was lastig gevallen zou kunnen doen als hij wéér lastig gevallen zou worden.

Wat ontstaat is een bijzonder debat: over groepsvorming, interactie binnen groepen, machtsverhoudingen, ‘stomme’ acties, de zin en onzin van straffen en wat nodig zou zijn om jongeren uit gevangenissen te integreren in de samenleving. Het is prachtig om te ervaren hoe zij de onderwerpen met elkaar bespreken. Ik krijg de ruimte om te observeren, te genieten!

Op een bepaald moment valt mijn oog op Joeri, doorgaans een jongen met een sterke en duidelijke mening. Hij is  een rapper in de dop en probeert zich middels open podia en jongerenwedstrijden in de kijker te spelen. In de klas is hij altijd aanwezig, zeker (of misschien wel juist) tijdens maatschappelijke onderwerpen. Maar nu is hij stil. Wat houdt hem tegen?

Op het moment dat het debat tegen het einde loopt, komt het moment om af te stemmen. Joeri zegt een prangende vraag te hebben, maar deze niet in de groep te willen stellen. Morgen – zo belooft hij – zal hij de vraag én het antwoord meenemen. Zijn glimlach en twinkeling in de ogen maakt iedereen nieuwsgierig…

De volgende dag komt Joeri de klas binnen. Het eerste wat opvalt is dat hij naar de kapper is geweest. Als ik er naar vraag, kijkt hij trots en zegt alleen ‘Ja!’ Weer zie ik die glimlach verschijnen. Als we verder gaan met het gesprek waar we een dag eerder gestopt zijn, steekt hij  als eerste zijn vinger op.

Iedereen had het gisteren over wat er allemaal veranderd moest worden, mijn vraag was: ‘Hoe kan het dat die jongeren buiten hangen en voor problemen gaan zorgen?’ Ik had deze vraag wel kunnen stellen, maar als jullie er ook niet over beginnen, lijkt  het me sterk dat jullie er een antwoord op zouden weten. Daarnaast zijn jullie allemaal Nederlanders. Daarom besloot ik gisteren om naar een Turkse kapper te gaan en daar de vraag te stellen!

Met open mond en vragende ogen kijk ik hem vol bewondering aan. Hij zet zijn lef en ‘naïviteit’ in om naar de bron te gaan. Midden in de samenleving, bij een kapper, het contact aangaan met iemand die naast hem in de stoel zat!! En deze man – zo rond de veertig dacht hij – weet hem te vertellen dat het in de cultuur zit ingebakken; dat de vrouw, ofwel de moeder, voor het huishouden zorgt en dat de man aan het werk is. En dat zou betekenen dat de zorg voor en vooral ‘het letten op’ de kinderen lastig(er) zou zijn. En ja, dan zoek je je vrienden op en ga je op straat hangen…

De klas is doodstil en luistert geboeid naar wat Joeri inbrengt. Heel langzaam komen er nieuwe vragen: Voelen jongeren, met een andere achtergrond dan de Nederlandse, zich eigenlijk wel welkom? Met deze vraag en alle vragen die eruit voortkomen, wordt het doel van de les overstegen. Enige tijd later is een andere leerling zó geïnspireerd dat hij een werkstuk over hetzelfde onderwerp maakt. En naar verloop van tijd constateer ik dat er in deze klas nauwelijks meer (voor)oordelen worden uitgesproken.

Joeri maakte een verschil! Hij was degene die een stapje terug deed, zijn vraag overdacht en zijn oor bij een ander te luister legde, in dit geval bij de Turkse kapper! Hij gaf daarmee het gehele thema een verrassende wending en schiep ruimte. In plaats van op de verschillen te gaan zitten en meningen te ventileren, wordt met ‘vragen stellen’ een weg ingeslagen naar begrip en (indirect) oplossingen over maatschappelijke kwesties.

Swag, Joeri!

Over uitsluiten gesproken #1

Je zult er maar zitten, op een speciale school én in een ongewone klas met ander ‘soortgelijke’ gelabelde klasgenoten. Je wordt elke ochtend opgepikt. Met een taxibusje. In de grote stad of de wijde omgeving. Elke dag. Gebracht en gehaald.

Tegenwoordig is dat busje vaak  wit. Die staat dan, ruim voordat de school begint, voor de deur te wachten met draaiende motor. Dan maak je een rondje, iedere dag hetzelfde. En elke ochtend zie je ze weer: die schreeuwende moeder met haar kind dat niet de bus in wil. Soms brengt een ‘verdwaalde’ ouder je naar school. Is de school niet te ver weg, is het veilig genoeg, dan mag je op de fiets. Dag-in dag-uit ‘zeul’ je met die zware tas op je rug waar niets uit gaat, maar waar alleen maar extra bagage wordt ingestopt.

Iedere ochtend – zo vroeg. Geen rekening gehouden met je bioritme, in een overvolle, stinkende taxi met allemaal ‘ongewone’ mensenkinderen. Zonder mp3-speler of DS irriteer je jezelf aan al die geluiden en ‘prikkels’ om je heen. Want ja, je moet naar school!

Uiteindelijk kom je dan aan bij een afgelegen schooltje, diep weggestopt in een kraakpand in een achterstandsbuurt. Je wordt verwelkomd en ingesloten door een enthousiast team van leerkrachten die jou probeert te empoweren en te overladen met – vooral – kennis zodat je uiteindelijk, zo is de verwachting zeggen de kwaliteitskaarten, in het gewone onderwijs verder kan.

Perspectief noemen ze dat. En soms, heel soms kom je thuis te zitten…
Maar er is ‘hoop’. En die lijkt dichterbij dan ooit: de aparte klas voor de leerling met specifiek label. Ik lees een artikel in Het Parool en YES! zou je kunnen denken. Er wordt meegedacht met een bepaalde doelgroep.

De vraag is echter of deze aparte klas wel zo nieuw is!? Op verschillende scholen in verscheidene landen wordt al gewerkt met aparte klassen.

Ga eens naar Eindhoven, daar is een ‘inclusieve’ school met een speciale vuursteenklas. De bijzondere leerlingen in deze bijzondere klas krijgen een eigen lokaal met juf (of meester), waarna ze op gezette tijden ook weer instromen in ‘gewone’ groepen.

In dit Parool-artikel gaat het specifiek over leerlingen met een andere cognitieve stijl, een stijl waar zaken als (er zijn er meer, zie de verklaringsmodellen) communicatie, sociale interactie en (niet te onder-/overschatten) sensorische waarnemingen echt wezenlijk anders kunnen verlopen.

Maakt ze dat speciaal? 
Maakt ze dat als mens anders? 
Waar zitten de overeenkomsten? 
Wordt er echt begrepen waarom ze zijn wie ze zijn?

In mijn klas tracht ik mijn leerlingen duidelijk te maken (door ervaring, inzicht en begrip) dat wanneer ze alleen de verschillen zien, dat er nooit een brug geslagen kan worden naar overeenkomsten.

Het is natuurlijk heel nobel dat de VVD – samen met stichting Mama Vita – zich hard maakt voor deze bijzondere leerlingen! Jammer is dat in beginsel, in het taalgebruik en in de visie, alleen verschillen worden benoemd. Bijvoorbeeld de eerste zin op de site van Stichting Mama Vita:

Je bent moeder/verzorgster of professional van een prachtig, 
speciaal kind(eren) met diagnose …


Ik ben geen moeder en heb (nog) geen kind met een diagnose!? En wil ik dat eigenlijk wel? Komt het dan ook in een ‘speciale’ klas?

Zolang in de taal begrippen als speciale, reguliere en (on)gewone de overhand houden, zal uitsluiten onderdeel zijn van onze samenleving.

Natuurlijk, het is heel goed dat ouders een pact vormen en opkomen voor hun kinderen. Blijven doen! Maar mis je als ouders vaak niet de (volledige) kennis/binding om het ‘onderwijssysteem’ te doorgronden? En daarbij, als ik in een artikel zinnen lees als:  “…ze niet goed meekomen in gewone klassen…”, toont dat niet het aanstaande faillissement van ons onderwijssysteem (en samenleving) aan?

Dit is de realiteit. Schijnbaar. Het zit in deze omschrijvingen van probleemsituaties.


ZIJ kunnen niet goed meekomen…

Precies, het ligt bij de leerling! Zo zien we dat dus! Daarom zitten er natuurlijk ook zoveel leerlingen thuis. Nou ja, veel… Misschien procentueel niet. Maar voor mij is één leerling al te veel.

Mijn vraag: VOOR wie gaan WIJ het systeem veranderen? VOOR die leerlingen? Voor de scholen? Voor de ouders? Voor de samenleving?

Als het probleem vooral bij de leerling ligt, laten we dan met hen in gesprek gaan en de onderwijsomgeving samen aanpassen! Is dat realistisch? Ik denk het wel. Laten ‘we’ ze het eens ‘gewoon’ vragen!

Mijn eerste vraag zou zijn: ‘Waar en wanneer voel jij je prettig?
Volgens mij gaat het om het welbevinden van het kind. Maar wat houdt dat in? Dat het kind zich laat herkennen aan signalen van voldoening? Dat het geniet, deugd beleeft? Dat het kind ontspannen is, innerlijke rust toont, energie in zich voelt stromen en vitaliteit uitstraalt, open is en zich voor de omgeving toegankelijk opstelt, spontaniteit aan de dag legt en zichzelf is? Wanneer is zo’n moment?

Vervolgens zou ik willen vragen: ‘Waar zou jij graag naar school willen gaan?
Omgeving en groepsdynamiek spelen een belangrijke rol. Het gezin, de buurt, de school, de klas, vrienden. Zou de buurt waarin het kind woont, niet de ideale plek zijn om naar school te gaan? Zoals bijv. Cleves Primary School in London, een school waarin iedereen welkom is en veel activiteiten gedragen worden door ouders en buurt. Een mini-samenleving.

Het gaat in eerste instantie over het welbevinden en daar zijn leerlingen bij nodig. Geef hen dus medezeggenschap! Het sterkt het gevoel van eigen verantwoordelijkheid en stimuleert daarmee op een positieve wijze het eigen leer-, en ontwikkelproces. Ook goede relaties met de leerkracht en medeleerlingen hebben een positief effect op het welbevinden van een leerling. Is dit in het idee van VVD en Mama Vita meegenomen?

Een volgende vraag zou kunnen zijn: ‘Wat heb jij nodig?
Daarvoor heb je jezelf als leerkracht al afgevraagd hoe het kind nu eigenlijk precies denkt? Waarop en wanneer het ‘vastloopt’ in gedachten? Wat maakt dat het ‘blokkeert’ (intrinsiek/extrinsiek)? Je bent de relatie aangegaan met het kind, je hebt het gesprek gevoerd, geluisterd en er is wederzijds begrip. Je bent samen op zoek gegaan naar wat nodig is en vooral HOE een omgeving aangepast dient te worden. 

De nieuwe mindset kan zich vertalen in een stimulerende dagelijkse praktijk, in het zien van mogelijkheden, voorbij de functie van gedrag, taken of eisen die worden gesteld. Soms is een simpele aanpassing voldoende. Soms vraagt het een gezamenlijke inspanning: van het kind zelf, de leerkracht, de ouder, de school en/of de buurt.

Met andere woorden:

Ik weet niet of een aparte klas nu direct een duurzame oplossing is. Als het de visie ‘bonding and bridging’ van Putnam in zich draagt, zie ik mogelijkheden. En deze aanpak begint met ‘bonding’, het de verbinding en relatie aangaan. Maar ook het zien van overeenkomsten en (h)erkennen van talenten en (on)mogelijkheden zijn belangrijke richtingwijzers.

De uiteindelijke brug wordt mijn inziens geslagen met een werkelijk open mindset. Daarin zijn acceptatie en vertrouwen nodig om de HOE-vragen te verwezenlijken. En daarbij is de stem van de leerling een onmisbare schakel en zal er altijd buiten de lijntjes gekleurd moeten kunnen worden.

Tot slot: ontwikkeling heeft tijd nodig, dus wees geduldig…

#wordtvervolgd (…zeker na vandaag!)

Jaspers had lef!

Wat wij in kleine verhoudingen doen, heeft ergens, hoe dan ook, zijn repercussie op het veld van de gehele samenleving, op de wijze waarop wij in het groot met elkaar proberen een leefbaar bestaan te bereiken.” – Karl Jaspers

Waarom thuis zitten als je op school welkom bent?!

Probleemleerling als risicofactor”, zo kopt het Reformatorisch Dagblad vandaag! Een bijzondere kop, daar waar leerlingen gezien blijven worden als ‘probleem’… Verder in het artikel wordt zelfs nog eens de denigrerende uitspraak van die politicus herhaald. Blijkbaar had de schrijfster even een blind ‘vlekje’. 

Laten we stoppen met stigma’s in leven houden… Waar het om gaat is namelijk veel belangrijker: leerlingen die thuis zitten omdat zij en hun ouders geen plek vinden in het onderwijs, iets waar zij wel RECHT op hebben! Om dan eenzijdig naar de leerling te wijzen is veel te kort door de bocht.

In mijn vorige blog doe ik een voorstel om scholen voor regulier en speciaal onderwijs samen te brengen onder één dak. Vanuit de visie ‘gebruik maken van elkaars kwaliteiten’ zou je mogen stellen dat er binnen het speciaal onderwijs specialisten werken die weten hoe te werken met leerlingen die andere onderwijs leer-/zorgbehoeften en vragen.

Er wordt op de weg naar ‘passend’ onderwijs – die al sinds 2004 is ingezet – veel te weinig gebruik gemaakt van elkaars expertise. En ondanks – leg dit in het buitenland eens uit – dat ‘we’ speciaal (basis)onderwijs hebben, blijft het natuurlijk nog steeds verwonderlijk dat er ongeveer 16.000 ‘onderwijswezen’ zowel kort- als langdurig thuis zitten.

We hebben toch speciaal onderwijs in het leven geroepen om… Ach, laat ook maar!
Op zoek gaan naar oplossingen biedt wellicht meer perspectief…

Samenwerken en op (onder)zoek!In het stuk dat vandaag verscheen benoemt Katinka Slump ‘schaalvergroting’ en de ‘professionalisering van de schoolbesturen’ als belangrijke oorzaken voor de toename van het aantal thuiszitters.

Zelf ben ik werkzaam binnen een stichting voor speciaal onderwijs en is de schaalvergroting – mede door een fusie – duidelijk voelbaar! Inzoomen op de noden en behoeften van individuele leerlingen wordt mij als leerkracht steeds moeilijker gemaakt. Door verschillende (achterhaalde) protocollen en nauwe kaders wordt ook in het (voortgezet) speciaal onderwijs van mij als leerkracht verwacht dat na vier jaar een leerling met dezelfde bagage als in het regulier onderwijs wordt afgeleverd! Dit schijnt opgedragen te zijn door de inspectie, zo zegt men!? Het doel: hetzelfde uitstroomperspectief als reguliere leerlingen. 

De voorwaarden die daar voor nodig zijn worden minimaal geschapen. Faciliteren is een vies woord. Dus ook in het speciaal onderwijs is de druk voor leerkrachten en leerlingen zeer hoog! Dat kan een verklaring zijn dat er zelfs leerlingen uit het cluster4 onderwijs thuis komen te zitten en/of doorstomen naar interne opname…

Volgens mij zou de visie in het speciaal onderwijs dienen te zijn dat er gekeken en gewerkt wordt naar wat van belang is voor de leerling, op zowel pedagogisch als didactisch vlak. Dit om vervolgens – waar nodig – de (directe/familie-/leef-)omgeving aan te passen! Dit om het aanleren van vaardigheden te vergemakkelijken, waardoor moeilijkheden overwonnen kunnen worden. Vervolgens kan gezorgd worden dat de transitie naar het regulier onderwijs, ook wel bonding and bridging genoemd, plaats kan vinden! Speciaal onderwijs zou een tijdelijke pitstop – stilstaan, kijken wat nodig is, nieuwe brandstof en GO! – dienen te zijn!

Het grote geheel ingezoomdMet ‘professionalisering van de schoolbesturen’ doelt Slump op het feit dat er steeds meer professionals zonder onderwijsachtergrond in besturen plaatsnemen. Daar zou je aan toe kunnen voegen dat prioriteiten en doelen van bestuurders anders (kunnen) liggen dan die van de leerkracht op de vloer. Dat is al merkbaar wanneer je een inhoudelijk gesprek voert met de laag/lagen tussen de leerkracht en het bestuur. Het gaat niet meer over de leerling en diens specifieke en individuele onderwijsbehoefte(n), maar om (opbrengstgerichte) doelen die gerealiseerd dienen te worden.

Wanneer je als leerkracht ziet dat in de dagelijkse praktijk aanpassingen nodig zijn, dient dit inhoudelijk via verschillende kanalen onderbouwd te worden. De leerkracht wordt op deze wijze in mindere mate als professional gezien, opgezadeld met onnodig veel werk en niet de ruimte geboden om ‘good practices’ te delen. Het gaat ten koste van de ontwikkeling van leerlingen! Leerkrachten voelen zich niet gehoord en de ruimte om bij/met leerlingen echt ‘onder de ijsberg’ te gaan en te investeren in de totale ontwikkeling van deze leerlingen komt in het gedrang.

De oplossing is dus simpel: een heldere visie en missie voorleven, praktisch uitvoeren met de noden van leerlingen met speciale/andere onderwijsbehoeften voorop! De vakinhoudelijke kennis volgt! En wie kan dit beter organiseren dan de professional ‘op de werkvloer’? Zij werken dagelijks met de leerlingen. En ja, een wetswijziging is zeker een belangrijke stap en biedt kansen voor veel leerlingen, want zoals Slump stelt: “…het gevolg is dat nieuwe wetten nu alleen getoetst worden aan de vrijheid van onderwijs, een recht dat wel in de Grondwet staat. Of het recht op onderwijs in het geding is, wordt onvoldoende onderzocht.” 

Er ligt dus een grote verantwoordelijk bij leerkrachten zelf. Deze dient ook genomen te worden! Beleid dat zonder enig overleg top-down wordt opgelegd maakt mensen juist lui en onverantwoordelijk. Dat leidt tot nog meer willen toetsen en controleren! 

Het is juist de leerkracht die het verschil maakt, een open deur lijkt me. Het is dan ook aan leerkrachten om duidelijke grenzen te stellen en beleid mee te ontwikkelen, met oog voor de leerling en eigen professionaliteit. En ja, soms is het nodig om burgerlijk ongehoorzaam te zijn!

En dan natuurlijk de belangrijke vraag: is iedere leerkracht toegerust op leerlingen met andere onderwijs-/zorgbehoeften? Op twitter volgt een dialoog met Hannes Minkema waarin hij aangeeft niet het gevoel te hebben bij machte te zijn om zijn onderwijs echt passend te maken. Zelfs vanuit mijn context een herkenbaar gevoel! Als hoofdzaak noemt hij tijdgebrek, te volle klassen en veel lesuren waardoor er weinig tijd per leerling overblijft voor aandacht en differentiatie. Ook zegt Minkema dat het aantal leerlingen toeneemt waarbij ouders individuele aandacht, begeleiding en traject-op-maat verwachten. En natuurlijk heeft hij gelijk dat het een te grote verantwoordelijkheid is voor een leerkracht om het alleen te doen.

Daarom pleit ik voor gedeelde verantwoordelijkheid, het nemen van autonomie, kennis delen als eerste stap en SAMEN met leerlingen, ouders, leerkrachten én bestuurders de verbinding maken om samen te bouwen aan goed onderwijs!

Minkema stelt voor om in de provincie Drenthe proef te draaien met ‘passend’ onderwijs. Een goed idee, een pilot, kinderziektes eruit en door… Graag zou ik een berekening willen zien van alle onderwijsuitgaven en scholen/klassendeler/zorgleerlingen/thuiszitters nu en daar tegenover een berekening van alle onderwijsgelden bij elkaar, het speciaal onderwijs opheffen en een concept neerzetten waar zowel vrijheid als recht op onderwijs een plek vinden binnen scholen.
Ontstaan er dan niet automatisch kleinere klassen?
Kan er dan niet extra begeleiding per school ‘ingekocht’ worden? 

En daarbij, je creëert automatisch een andere mindset. Dit omdat alleen een SAMENleving als geheel dit kan dragen. En natuurlijk betekent dit een hoop praktische ‘bezwaren’, bijvoorbeeld dat er schoolgebouwen zijn die niet toegerust zijn op het leerproces maar op klassen van max. 32 leerlingen. Of dat lesuren anders ingedeeld dienen te worden (flipping, lesuren van 70-90 min., …), opleidingen wellicht anders vormgegeven dienen te worden… Het moet kunnen!

Het gaat er om dat we op de lange termijn in Nederland goed onderwijs bieden waarbij iedere leerling zich op school welkom voelt, gezien wordt en zichzelf – vanuit vertrouwen en zijn/haar gehele zijn – maximaal kan ont-wikkelen! Het is onze taak als samenleving en aan leerkrachten – changemakers – om iedereen in te sluiten door gebruik te maken van elkaars talenten. Het start bij jezelf als opvoeder! Voorleven…

Een utopie?

Dacht het niet!

Leerrecht als onze plicht!

Of ik de moeder van een leerling deze ochtend even wilde bellen. Er waren positieve ontwikkelingen rondom haar kind en wilde mij eerst spreken voordat zij haar kind zou inlichten. Moeder klonk opgelucht toen ik belde (moeder had al verschillende mails verstuurd de avond ervoor #poingpoing) en vol enthousiasme stak ze van wal. In samenspraak met haar man had ze de ‘stoute schoenen’ aangetrokken, trossen los gegooid en gebeld naar een reguliere school. De geschiedenis van het kind deerde de school niet. Vol vertrouwen in hun zorgroute nodigde zij ouders en kind uit voor een gesprek! Moeder wilde peilen wat ik van de ontwikkelingen vond…

Als leerkracht binnen het cluster4 onderwijs voel ik voortdurend het spanningsveld tussen dat wat de opdracht is vanuit de school, wat (opgelegd/)bereikt dient te word(t)en, en de (toch ‘iets’ wat andere) onderwijs(leer)behoeften van leerlingen. Voor wie het niet weet, een cluster4 school is er voor leerlingen met ernstige gedrags- en/of psychiatrische problemen. Overheidsbeleid heeft er voor gezorgd dat in de eerste helft van de vorige eeuw speciale scholen ontstonden “ter ontlasting van het gewone onderwijs”. Na verschillende wetten was er 1990 de inleiding naar ‘Weer Samen Naar School’ met als doelstelling om leerlingen met speciale onderwijsbehoeften regulier basisonderwijs te laten volgen. “Leerlingen horen zoveel mogelijk in hun woonomgeving naar een reguliere school te gaan. […] Afzonderen van leerlingen is een verlies voor zowel het kind dat afgezonderd wordt, als voor kinderen waarvan een leeftijdsgenoot wordt afgezonderd”. In de wereld werd er in die tijd ook gesproken over de rechten van het kind. Door UNESCO werd het ‘Salamanca Statement’ getekend. Het verdrag verklaart onder andere dat ieder kind een fundamenteel recht heeft op onderwijs, in staat moet worden gesteld een acceptabel niveau van leren te bereiken en dit op peil te houden, dat ieder kind unieke eigenschappen, interesses, mogelijkheden en leerbehoeften heeft, dat opleidingen en onderwijsprogramma’s moeten worden ontworpen/ingevoerd die rekening houden met deze eigenschappen en leerbehoeften en last but not least, de toegang tot reguliere scholen er moet zijn!

Onderwijs op maat is dat waar het speciaal onderwijs expert in is…toch? Helaas is de werkelijkheid weerbarstiger! Ook in het cluster4 onderwijs wordt gewerkt met directe instructiemodellen, standaard (neurotype) methodes, toetsen en cito’s om leerlingen te passen en meten in het standaard curriculum. Daarnaast kan praktijk ondervindelijk de hypothese gesteld worden dat door segregatie welbevinden achteruit gaat, probleemgedrag wordt versterkt en dat verschillen in stand worden gehouden. Zet alle leerlingen met een ‘soortgelijk’ cognitieve stijl bij elkaar, leren zij dan omgaan met alle verschillen in de maatschappij? Is het niet juist belangrijk om te kijken wat leerlingen nodig hebben om moeilijkheden en problemen te overwinnen? En is het dan mogelijk om de onderwijspraktijk af te stemmen en aan te passen op de leerbehoeften van de leerling? Volgens mij kan de theorie van Putman, ‘bonding & bridging’, hier als analogie gebruikt worden. Waar het om gaat is dat het voor leerlingen belangrijk is dat er voldoende sociale veiligheid is (bonding) om vervolgens met een positief welbevinden en een gereedschapskist aan tools een brug te kunnen slaan naar andere groepen (bridging) in de maatschappij.

En natuurlijk, als je leerlingen te vroeg in een reguliere setting zou plaatsen kan de onzekerheid van alle betrokkenen toenemen en de beoogde integratie stagneren. Dat betekent dat ‘gemengde klassen’ dusdanig ingericht dienen te zijn dat die meer voorspelbaarheid bieden. Regelmatig verwonder ik me dat reguliere scholen beter hierop toegerust zijn, benijd hen en zie direct kansen voor meer dan de helft van mijn klas! Het aanpassen van de omgeving is het eerste spoor. Het tweede spoor is de richting waarbij de leerling met andere onderwijs(leer)behoeften vaardigheden aanleert waarmee hij zichzelf kan aanpassen aan de omgeving. En voor deze sporen zijn de dwarsliggers, de mindset en tact van leerkrachten/ouders/visie van scholen erg belangrijk om de voortgang te bespoedigen! Wanneer er niet echt geluisterd, begrepen en gekeken wordt (vanuit je hart, van mens tot mens) zal het spoor (blijven) doodlopen.

Een goede school is een school die een actieve bijdrage levert aan persoonsvorming en identiteitsontwikkeling van leerlingen, waarbij wordt uitgegaan van gelijkwaardigheid en diversiteit. Leren omgaan met verschillen is bijzonder handelingsgericht en zet o.a. aan tot het ontwikkelen van empathie. Mijn voorstel is (als eerste stap naar mijn ‘edutopia’) om speciaal onderwijs en regulier onderwijs in één gebouw onder te brengen en samen te werken aan de ontwikkeling van ieder kind! Er vindt te weinig kruisbestuiving plaats en zo blijven verschillen op micro-, meso- en meta-niveau bestaan. Het draait om verbinding, de bruggen ten behoeve van het kind! Sterker nog, er zijn theoretici die beweren dat door integratie op vroege leeftijd het sociale isolement voorkomen kan worden. Dat op een gevarieerde school leerlingen juist leren om te gaan met verschillen. Want is het niet zo dat door het verschil speciaal/regulier verhinderd wordt dat leerlingen op voet van gelijkheid deel kunnen nemen aan activiteiten? Worden zo dus niet juist waardevolle ervaringen misgelopen? Uitsluiten maakt meer kapot dan we elkaar lief zijn!

…en dus heb ik aangegeven dat wanneer een reguliere school veel vertrouwen in eigen handelen en dus ook zonder (voor)oordelen een kind welkom heet, ouders er voor moeten gaan! Deze ouders nemen hun plicht om te gaan voor het recht dat zij voor hun kind hebben. Met een big smile wens ik mijn leerling en zijn ouders een behouden vaart toe. Ik heb alle vertrouwen in het kunnen van deze jongen, begrijp zijn ‘zijn’ en hij heeft het lef zichzelf te laten zien en samen te bouwen aan zijn ontwikkeling.

Voor mij is vandaag maar weer eens duidelijk geworden dat het bieden van perspectief, vertrouwen en relatie onmisbaar zijn in het onderwijs. Mijn missie wordt steeds helderder…over tien jaar geen speciaal onderwijs meer! ‘Passend’ voorbij, geen ‘box’ meer, dat…

Arts, M. (2005). Indicatiestelling en criteria. voor het speciaal onderwijs of een rugzak. http://www.oudersaanzet.nl/ktmllite/files/uploads/publicaties/indicatiestelling.pdf: Landelijke Commissie Toezicht Indicatiestelling
Doornbos, K., Stevens, L.M (1987). De groei van het speciaal onderwijs. Analyse van historie en onderzoek. Den haag: Staatuitgeverij.
Houten van, D. (2004). De gevarieerde samenleving. Over gelijkwaardigheid en diversiteit. Utrecht: De Tijdstroom.
Konings, M. (2006). Inclusief onderwijs: is dat onderwijs inclusief BTW? JSW, jaargang 91 oktober 31-35.
Peeters, T. (2004). Autisme. Van begrijpen tot begeleiden. Antwerpen-Baarn: Uitgeverij Hadewijch.
Putman, R. (1995). Bowling Alone: America’s Declining Social Capital. The Journal of Democracy, 6:1 , 65-78.
Schuman, H. (2010). Inclusief onderwijs. Dilemma’s en uitdagingen. Antwerpen-Apeldoorn: Garant.
UNESCO. (1994). The Salamanca Framework and Statement for Action on Special Needs Education. Paris: UNESCO, Special Education, Division of Basic Education.
Vermeulen, P. M. (2010). Autisme en normale begaafdheid in het onderwijs. Berchem: EPO.
Winter de, M. (2011). Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding. Amsterdam: Uitgeverij SWP.
Zonderop, Y. (2008). ‘Gemengde wijk maakt eenzaam’. Interview met Robert Putman. De Volkskrant , Het Betoog, p.1.