In de levendige gangen van basisschool De Barricade klopt een ander ritme. Deze school is niet louter een gebouw met klaslokalen, maar ademt als een soort levend organisme. Het is een hechte gemeenschap waar ieder kind, iedere leraar, iedere ouder en iedere (externe) professional een onmisbare cel vormt. De directeur had na jarenlange ervaringen op verschillende scholen, vanuit verschillende onderwijsconcepten, ervaren dat een goede start op school geen sinecure is. Steeds meer jonge kinderen zag hij met een ‘achterstand’ aan de kleuterschool beginnen. En hij gruwelde dat woord overigens, omdat het even paradoxaal als omstreden is: Het woord wekt volgens hem stigmatisering, stereotypen en generalisatie in de hand. Ook de onderwijspsycholoog Lev Vygotski en pedagoog Loris Malaguzzi zouden er iets van gevonden hebben. Maar binnen De Barricade is het anders, aangezien het verwerpelijk is om kinderen als gebrekkig of achtergesteld te duiden.
Sinds zijn start op school maakte directeur Paul zich hard voor het stigmatiserende effect dat het woord achterstand heeft. Hij hoorde in het verleden regelmatig bij de koffieautomaat of tijdens de lunch een kind als ‘achterstand’ bestempeld worden. En het wekte in die gesprekken niet alleen de indruk dat het kind minder waard was, maar het suggereerde zelfs dat er fundamenteel iets mis was met het kind. ‘De doelgroep verzwáárd’ werd een sterker mantra, waar Paul met lede ogen aanzag hoe leraren met deze taal steun bij elkaar zochten. Het was de negatieve connotatie van ‘achterstand’ wat volgens hem een eenzijdige focus op wat het kind niet kan legde, in plaats van op zijn mogelijkheden en kwaliteiten. Of noem het potentieel, voegde Eva eraan toe, toen zij als intern begeleider op De Barricade kwam werken. Samen waren ze het erover eens dat – naast de psychiatrisering – ook een woord als ‘achterstand’ niet alleen de zelfwaardering van het kind ondermijnt, maar ook de verwachtingen die leraren, ouders en zelfs medeleerlingen van elkaar hebben.
Externe attributie belemmert groei en de wil om te ontwikkelen.
Sinds de komst van Eva, bouwde Paul niet alleen aan een inclusieve cultuur, maar ook aan inclusief beleid. Om te voorkomen dat binnen school het label ‘achterstand’ zou kunnen leiden tot generalisatie en stereotypen, zag Paul een kans om nog eerder dan de kleuterschool kinderen te behoeden voor een soort one-size-fits-all benadering. Ontwikkelingsbehoeften zouden centraal moeten staan, uitgelijnd met de doorlopende leerlijn binnen school. Hij zag een kans om samen met de peuteropvang een heterogene stamgroep te creëren. Een stamgroep waarin er al vroeger dan de kleuterschool oog zou zijn voor de individuele behoeften én talenten van kinderen, maar ook voor hun moeilijkheden. Paul wist dat kinderen zich op verschillende manieren en tempo’s ontwikkelen, maar dat dit in een heterogene stamgroep juist een voordeel is: Uitgaan van verschillen, door juist aandacht te hebben voor en af te stemmen op die verschillen.
Wie heeft wat en wanneer te leren?
Daarom vond het leidinggevend team van de school het essentieel om de voorschool te verbinden aan de school. Zij wisten namelijk dat ‘achterstanden’ bij jonge kinderen vaak buiten de controle van het kind zelf lagen: Externe factoren zoals sociaaleconomische omstandigheden of gezinsomstandigheden waarbij kinderen in kwetsbare situaties leven of uit conflictgebieden komen. Juist Paul wilde deze externe factoren niet verdoezelen, maar met aandacht stevig vastpakken. Hij wilde dat pedagogisch medewerkers en leraren zich zouden richten op het verbeteren van het onderwijssysteem binnen school, door situaties te creëren waardoor álle kinderen konden doorgroeien.
Juist door deze aandacht werd duidelijk waarom sommige kinderen extra ondersteuning nodig hadden. Waarom ze, vanuit hun eigen verhaal of het verhaal van het gezin, nog veel te leren hadden. En dat lag niet alleen bij het kind, maar juist ook in de verhoudingen binnen de groep of het handelen van de pedagogisch medewerker of leraar. Het bevestigde opnieuw de Pedagogische Opdracht die het team eerder samen had geformuleerd: De groei van ieder mens zichtbaar maken!
Aandacht leidde tot bewustzijn, wat een stevige basis vormde voor steeds meer tactvol handelen. Hierdoor slaagde iedere professional erin om vanuit authenticiteit, sensitiviteit en responsiviteit te handelen. Er ontstond een schoolklimaat waarin iedereen zich erkend en welkom voelde, professionals, kinderen en juist ook ouders.
De overtuiging dat elk kind, ongeacht zijn start, recht had op optimale kansen was diep geworteld binnen De Barricade: Zich erkend en zich welkom voelen als concreet uitgewerkte waarden. Juist in een wijk waarin erkenning en zich welkom voelen niet vanzelfsprekend waren. De cijfers logen er niet om: een kwart van de gezinnen in de wijk leefde onder de armoedegrens. Voor Paul was de impact daarvan voelbaar, vooral bij de allerjongsten. De focus op taal- en sociale ontwikkeling, zo cruciaal in de leeftijdsgroep van 0-6 jaar, was volgens hem onder druk komen te staan. Voor het leidinggevende team werd duidelijk dat veel ouders, vaak met een andere thuistaal dan Nederlands, minder gebruik maakten van de nieuwe, voor ouders dure opvang. Een moeder verwoordde de pijn treffend: “Ik vind het veel te duur,” klonk het, “en ook de tijden te lang voor zo’n jong kind.” Tussen de woorden door werd ook een verschil in cultuur duidelijk merkbaar. Kinderen, juist zij die een peuteropvang het hardst behoefden, bleven thuis.
Ieder kind wordt vroege stimulering en een zachte landing in de schoolomgeving gegund, werd één van de leidende principes.
Paul zag de realiteit en wist: dit kunnen we niet laten gebeuren. Samen met Eva smeedde hij een gedurfd plan. Ze wilden een peuter-kleutergroep starten binnen de school, een plek waar kinderen van 2-5 jaar kosteloos én laagdrempelig terecht konden. De nadruk zou, na een eerste onderzoek over de populatie en schoolcontext, komen te liggen op taalontwikkeling en de sociale ontwikkeling. Paul en Eva, met hun scherpe oog voor zowel pedagogiek als de harten van mensen, vonden dat deze twee ontwikkelgebieden een essentieel fundament waren voor de verdere schoolloopbaan van de kinderen. Sterker nog, zij zagen het als existentieel voor hun plek in de maatschappij. Ze wisten beiden dat gemiddeld genomen kinderen uit sociaaleconomische en migratiegezinnen te maken kunnen krijgen met specifieke uitdagingen die hun loopbaankansen op lange termijn kunnen beïnvloeden. Daarom zou volgens hen de focus steeds meer op het wegnemen van barrières en het creëren van een inclusieve omgeving moeten liggen, waardoor jonge kinderen hun volledige potentieel kunnen benutten.
Maar hun ambitie botste al snel met de harde werkelijkheid van wetten en restricties.
“Mogen we dit zomaar gratis aanbieden?” vroeg Eva, navigerend door de bureaucratie. “Moeten we ons echt officieel registreren als kinderopvang, met alle bijbehorende regels en controles!?” De bestaande structuren waren niet ingericht op een dergelijk inclusief, gemeenschapsgericht initiatief. Paul en Eva besloten echter de mazen in de wet op te zoeken, de grenzen wat op te rekken of desnoods tegen de wetten en restricties in te gaan. Ze zagen de noodzaak van de kinderen als een hogere wet, het recht van een kind op (over)leven en ontwikkelen.
Hun daadkracht en vooronderzoek, zorgden voor opschudding binnen de lokale politiek. Uiteindelijk mochten ze klein starten, als een pilot van zes maanden. Het kernteam bestond uit Paul, Eva, Gabriëlla (een ervaren pedagogisch medewerker), Rolf (leidinggevende van de peuteropvang) en Marieke (een innovatieve denker die hen hielp met conceptontwikkeling en financiering). Ze gingen in gesprek met kinderopvangexperts en zochten naar middelen om van start te kunnen: een lokaal in de school, een pedagogisch medewerker, een leraar en passende materialen. Financiële middelen vertaalden zich in menskracht, en het kernteam zocht partnerschap met de betrokken organisaties die durfden te ontschotten. Partners die durfden en wilden denken in ontwikkelmogelijkheden van de jonge kinderen. Zo omzeilden ze de formele en politieke grenzen en werd het een tijdelijk ontwikkelingsprogramma, gedragen door de school als maatschappelijke partner.
De aanpak was niet die van de geïsoleerde school, maar die van een open ‘gemeenschapsschool’. Zo werden ouders en kinderen erkend in wie ze zijn, en al vanaf hun bezoek aan het consultatiebureau welkom geheten in de wijk. Paul en Eva werkten nauw samen met externe partners zoals de lokale politiek, de GGD, maatschappelijk werk en welzijnswerkers, en haalden hen letterlijk de school binnen. De professionals werkten niet vanuit hun abstracte organisaties, maar werden collega’s met een eigen naam (zonder de organisatie erbij te benoemen) en hun eigen verhaal. En wanneer men collega was, dan was men voor leraren toegankelijk voor vragen of adviezen. Er werd vaarwel gezegd tegen aanvraaglijstjes en tussenpersonen. Zo nam iedereen verantwoordelijkheid voor de ontwikkeling van álle kinderen, en voor de doorgaande lijn van pedagogische visie, via didactiek tot aan de ondersteuningsstructuur.
Er zijn geen grenzen aan het recht van een kind op ontwikkelen.
In het belang van de ontwikkeling van het kind is veel meer mogelijk dan gedacht.
De peuter-kleutergroep van De Barricade werd een baken van hoop. Kinderen die anders geen toegang zouden hebben tot vroege educatie, kregen nu een warme, stimulerende leeromgeving. Ze leerden niet alleen Nederlands, maar ontdekten hun eigen talenten, hun plek in de groep, en de vreugde van het samenzijn. Paul en Eva wisten dat de weg vol uitdagingen bleef, maar ze zagen de bloeiende gezichten van de kinderen en de dankbare ogen van de ouders als het ultieme bewijs dat inclusie, wanneer gedragen door visie, lef en hart-werken, daadwerkelijk een verschil maakt. Het was een barricade tegen ongelijkheid, gebouwd op de fundering van de wil om groei zichtbaar te maken.
Gelukkig is er sinds 2018 wat beweging: LINK (overheid).





