Gewoon die eerste schooldag

Gewoon die eerste schooldag

Gewoon die eerste schooldag

Zo’n eerste schooldag van het schooljaar. Er weer fris tegenaan. Met volle moed. Nou ja… Ook er weer direct vol in. Nog even los van de schoolsluiting en zomervakantie. Het verstaan van kinderen vandaag de uitdaging. Dus hen leren de taal te geven om zichzelf te kunnen uiten en ondersteunend zijn aan wat collega’s hierin nodig hebben. Collega’s leren het andere perspectief in te nemen, door: nieuwsgierig te zijn, open te staan en te verwonderen. Door de juiste (door)vraag te stellen op het juiste moment. Confronteren soms ook dus, wanneer nodig. Zeker als het oordeel om voorrang vecht. Waar begrijpen het heeft.

Soms voelt onderwijs als een kaartenhuis.

Buiten door het raam zie ik twee ouders wat harder dan normaal praten met elkaar. Van die ene ouder mag het bijna als normaal gehoord worden. Gewoon. Een zeer betrokken alleenstaande ouder die veel om advies komt vragen. Weet dat het bezorgd is. Weet dat het moeilijk kan sturen op autonomie als het om diens eigen kinderen gaat. En weet ook dat het de kinderen dient te leren zelf de verantwoordelijkheid te dragen. Maar ja, wat als je dat zelf niet geleerd hebt in je opvoeding. En ja, als je leven daarna ook niet altijd even rooskleurig is geweest. Dan is het lastig om te ontleren. Lastig om een ander in vertrouwen te nemen om samen de kinderen mee op te voeden. Dan is het advies van iemand die wat verder van je weg staat veilig. En ben ik dankbaar voor het vertrouwen om in het als normaal een oor te zijn.

Een grote vinger wijst richting mij met daarbij de boodschap: “Bij hem moet je zijn, dan komt het wel goed!”

De andere ouder kijkt door het raam, ziet mij zwaaien en loopt naar de voordeur. Tegelijkertijd loop ik mee op, open de deur en zo staan we samen in de deuropening. “Sorry dat ik u al de eerste dag stoor, maar ik kan niet anders dan even om advies komen vragen. Sorry!”

Ik hoor de verontschuldiging, feitelijk het kleiner maken van het verlangen om de ervaring te delen. Toch doet de ouder dit. Want waarom zou voor het delen van een ervaring een verontschuldiging nodig zijn? Dit afvragen vermeng ik met de boodschap altijd beschikbaar te zijn en dat het juist heel fijn is dat een ervaring direct wordt gedeeld. Zeker een nare, zo blijkt.

De dochter heeft geen hap door haar keel gekregen deze middag tijdens de lunch. Na de eerste hap volgde een zee van tranen. De vraag voor de hap, over wat er aan de hand was, blijkt een schot in de roos. Met de juiste aandacht en sensitiviteit zie en voel je aan de ander dat er iets is, een ouder zeker. Als de veiligheid dan ook nog eens gewaarborgd is, zoals thuis vaak het geval, kunnen en mogen de tranen er zijn. Het doet al pijn als een kind niet eet. Laat staan als een kind zich dan door een belangrijke ander ook nog eens niet begrepen voelt.

Het kind is even de weg kwijt. Heeft pijn dat niet het zeer van en voor een kind zou moeten zijn. Er volgt een verhaal, uiteraard de waarheidsbeleving van deze ouder vanuit het perspectief van het kind. Over dat een klasgenoot tijdens het uitdelen van de schriften een schrift op het hoofd van het kind gooide. Over de wens dat de leerkracht er iets van zou zeggen. Over dat de leerkracht vond dat er een drama van werd gemaakt. Of juist niet gemaakt moest worden. Over dat diezelfde leerkracht vond dat het maar naar de baas van de school moest gaan. Een opmerking die het kind en de ouder niet echt begrepen. En over dat het kind die deze eerste dag het gevoel bekruipt, en zelfs ergens bevestigd lijkt te worden, dat de leerkracht haar niet mag.

Naast het bedanken dat deze ouder juíst direct naar school is gekomen, stel ik nog wat verhelderingsvragen. Dit om nog wat meer context te krijgen rondom de ‘waarheid’. En ik doe het voorstel dat een gesprek na school het meest effectief is. Iets met een koe en horens. Sterker, dan kunnen ervaringen een verdieping krijgen als alle betrokkenen aan het woord komen. In dialoog met elkaar komen. Het belangrijkste dat ik uit het voorgaande haal, is dat het kind haar grens heeft aangegeven. Om constructief te communiceren dat het er niet van gediend is dat er iets richting het kind wordt gegooid.

Ervaringen zijn er om van te leren. De ander is er om mee te leren. Pijn geeft aan dat er iets te helen valt. In dit geval het gevoel van buitensluiten, begrijp ik. Het wachten is nu op de laatste bel, die ‘het einde’ van de schooldag inluidt.

Wanneer de ouder gaat zitten worden direct ervaringen en zorgen gedeeld. Het kind blijft stil zitten en luistert. De leerkracht hoort alles aan en lijkt in eerste instantie moeite te moeten doen om niet direct te reageren. Ergens pik ik een gevoel van schaamte op, bevestigd door een biecht. Een schooljaar eerder is met het kind namelijk het een en ander ondervonden. Buiten tijdens de pauzes kwam het moeilijk tot spelen. En waar de leerkracht in eerste instantie vanuit de relatie intervenieerde en nabij was, leek het vervolg (iedere pauze bleven dezelfde vragen gesteld) in de beleving van de leerkracht (waarbij het opviel dat het kind steeds lachte) op drammen. Deze eerdere ervaring van de leerkracht, dat als waardeoordeel of vooronderstellingen gezien kan worden, was nu de aanzet of noem het prikkel om de grens van het kind te framen als drama. De leerkracht imiteerde de stem dat het kind een jaar eerder tijdens de pauzes had op het moment dat het kind een grens aangaf.

Uiteraard is een eerdere ervaring nooit een excuus voor herhaling. Nooit een legitimering om als joker een schooljaar later in te zetten. Ieder mens leert en groeit tenslotte. En ook niet als je als leerkracht denkt de ander te kunnen spiegelen. Tactvol handelen gaat tenslotte over het juiste doen, óók in de ogen van de ander! Het met imiterende stem nadoen van het kind werd in ieder geval niet als tactvol ervaren.

Om tactvol te kunnen handelen is een relatie nodig. Wederkerigheid. Een eerdere ervaring of situatie mag voor een volwassene dus nooit externe attributie zijn. Dat zorgt namelijk voor ruis als er wordt gecommuniceerd. Dat voedt het gevoel van ‘de ander mag mij niet’. Dat gevoel van buitensluiten. En door een gebrek aan relatie en ruis om de communicatieve lijn wordt het als pedagoog erg lastig om de ander, in dit geval het kind, in een nieuwe ervaring te brengen. Of met andere woorden: samen door een ervaring heen te gaan. Het gevolg is dat voor beiden het lastig wordt om eigen handelen te beschouwen en te reflecteren door tegenstrijdige gevoelens.

Het wordt nog lastiger wanneer er een volgende vooronderstelling bovenop komt. Voor vandaag had ik er daar nog nooit van gehoord, maar het kind blijkt verwikkeld in een queen-bee-nest!? Zo wordt het door de leerkracht verwoord. Internet leert mij dat het queen-bee-effect simpel gezegd inhoudt dat vrouwen (in topfuncties) andere (laaggeplaatste) seksegenoten buitensluiten. Mogelijk uit angst om de competitie aan te gaan (gunnen als onderliggend) en/of de behoefte om uniek te blijven (authenticiteit als onderliggend). Zoiets als pesten, als het langdurig en moedwillig gebeurd. Maar is dat ook hier het geval?

Dat dit bij jonge kinderen voorkomt was mij niet bekend. Onderzoek hierover kan ik niet vinden. Sterker, als je de aanname vanuit de queen-bee-bril bekijkt zou het ook zomaar kunnen zijn dat een aantal kinderen sterke nog niet ontwikkelde leiderschapskwaliteiten hebben!? En gelukkig is het pas de eerste schooldag is. Nog een jaar om dit te leren handig in te zetten.

En dan ineens. Ogenschijnlijk uit het niets. Wordt er tussen het verklaren, ondertitelen van het handelen en beschouwing op het bijennest, opeens een uitnodiging ter tafel gebracht. Of beter gezegd, de uitnodiging als inzicht: “…maar ik ken jou eigenlijk helemaal niet,” wordt al kijkend in de ogen van het kind gecommuniceerd. De snelle reflectie op het schooljaar eerder, het bewust worden van de vooronderstellingen drammen en het bijennest-gedrag én het beseffen dat de huidige context in een nieuw tijdsframe en perspectief geplaatst mag worden, brengt lucht. Het creëert ruimte voor een gesprek dat al meer op een dialoog lijkt. De dialoog waarin de belemmerende overtuigingen achterwege worden gelaten. De dialoog waar de kern wederkerig is, met elkaar. De dialoog waarin het niet gaat over het gelijk of ongelijk, maar hypotheses worden verkend. De dialoog waarin met elkaar geleerd wordt om de twee kanten van de waarheden te begrijpen. Om met perspectiefwisseling te spelen, niet te misbruiken. Leren het spelen om te zetten in het handelen zoals de volwassen ander dat doet, zoals dat een pedagoog betaamt.

Maar een dialoog is ook spannend. Want binnen zo’n dialoog is het vaak zo dat je niet weet wat er van je verwacht wordt. Of anders gezegd: er dienen zich namelijk zaken aan die je van tevoren niet hebt bedacht. Zoals die vooronderstellingen waar je nog niet eerder mee geconfronteerd bent geweest. Ook kunnen er zich opeens inzichten aandienen, die binnen de openheid van de dialoog uitgesproken worden. Zoals vandaag, waar het defensief denken met externe attributie als gevolg plaatsmaakt voor het verlangen elkaar te ontmoeten. Ont-moeten misschien dus wel. En daar zijn nu precies die eerste dagen voor. Die eerste weken. Om er goud van te maken. Een gouden rand kunnen geven aan ontmoetingen. Aan relaties.

Eerste stappen op weg naar wederkerigheid lijken gezet. Eerste stappen naar wat er te leren is ook. Zij, het kind, leren om de ik-boodschap toe te voegen aan het communiceren van grenzen. De boodschap expliciteren met wat het met het kind doet. En de leerkracht om vooronderstellingen en waardeoordelen als hypotheses te kaderen. Onderzoeksvragen te formuleren om vanuit het kennen van de ander met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid samen hetzelfde perspectief te zien en te verstaan. Om samen een volgende stap in ieders ontwikkeling te zetten. En dat kan ieder moment, want vanuit de toekomst die zich aandient is ieder moment weer een nieuwe gebeurtenis.

Dus ook gewoon de tweede schooldag is een nieuwe dag om elkaar wederom te ontmoeten.

About the Author

Leave a Reply